
Numeri 7 is het langste hoofdstuk in het boek Numeri en beschrijft uitvoerig hoe de twaalf stammen van Israël gaven brengen bij de inwijding van de tabernakel. Hoewel het verslag zich herhaalt, toont het de toewijding, gelijkheid en eerbied waarmee het volk gehoorzaamt aan Gods richtlijnen.
De wijding van de tabernakel
De tabernakel is voltooid
Het hoofdstuk begint op de dag dat Mozes de inwijding van de tabernakel (de Tent der Samenkomst) afrondt. De prinsen van de twaalf stammen brengen dan vrijwillige en gezamenlijke gaven om het heiligdom en de dienst te ondersteunen (Numeri 7:1-3).
Wagenen en ossen
De eerste collectieve gave bestaat uit zes wagenen en twaalf ossen, bestemd voor het vervoer van de tabernakel:
- De Gersonieten krijgen twee wagenen en vier ossen,
- De Merarieten krijgen vier wagenen en acht ossen,
- De Kehathieten ontvangen niets, omdat zij het heiligdom op de schouders moesten dragen (Numeri 7:4-9).
Dit verdeelsysteem onderstreept orde, verantwoordelijkheid en functionaliteit binnen de stammen.
De twaalf stammen brengen hun offers
Ieder stamhoofd offert afzonderlijk
Elke stam brengt op een eigen dag een identiek offer. De volgorde van hun offerandes is als volgt:
- Juda – Nahesson,
- Issaschar – Nethaneël,
- Zebulon – Eliab,
- Naftali – Ahira.
De inhoud van het offer
Iedere leider brengt:
- Een zilveren schotel en schaal gevuld met meel,
- Een gouden lepel vol reukwerk,
- Brandoffers (een jonge stier, ram, en lam),
- Zondoffers (een geitenbok),
- Dankoffers (ossen, rammen, bokken, en lammeren).
Hoewel elke dag hetzelfde is, herhaalt de tekst elk offer afzonderlijk. Dit benadrukt dat God iedere stam persoonlijk erkent en waardeert, en dat ieder offer in Zijn ogen telt (Numeri 7:10-88).
God spreekt tot Mozes
De stem uit het heilige
Het hoofdstuk sluit af met een bijzonder moment: Mozes hoort de stem van God spreken tot hem vanaf het verzoendeksel boven de ark, tussen de cherubs (Numeri 7:89). Dit benadrukt Gods aanwezigheid in het heiligdom en Zijn voortdurende communicatie met Zijn dienstknecht.
Conclusie
Numeri 7 leert ons:
- Gelijkwaardigheid in toewijding: elke stam levert hetzelfde, niemand is belangrijker.
- Orde en structuur: de verdeling van taken en de planning van de offers zijn strak geregeld.
- Gods nabijheid: Hij spreekt te midden van een volk dat Hem eert.
Dit hoofdstuk is een lofzang op gemeenschapszin, eerbied en gehoorzaamheid – bouwstenen voor een gezonde relatie tussen volk en God.
Numeri 7
| 1 | En het geschiedde ten dage, als Mozes geeindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgadershet altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had; |
| 2 | Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden. |
| 3 | En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elkeen; en brachten ze voor den tabernakel. |
| 4 | En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: |
| 5 | Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst. |
| 6 | Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten. |
| 7 | Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst; |
| 8 | En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester. |
| 9 | Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen. |
| 10 | En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar. |
| 11 | En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal, een iegelijk op zijn dag, zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars. |
| 12 | Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda. |
| 13 | En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 14 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 15 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 16 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 17 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab. |
| 18 | Op den tweeden dag offerde Nethaneel, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar. |
| 19 | Hij offerde zijn offerande: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 20 | En een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 21 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 22 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 23 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nethaneel, den zoon van Zuar. |
| 24 | Op den derden dag offerde de overste der zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. |
| 25 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 26 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 27 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 28 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 29 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eliab, den zoon van Helon. |
| 30 | Op den vierden dag offerde de overste der kinderen van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur. |
| 31 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 32 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 33 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 34 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 35 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elizur, den zoon van Sedeur. |
| 36 | Op den vijfden dag offerde den overste der kinderen van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai. |
| 37 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 38 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 39 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 40 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 41 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Selumiel, den zoon van Zurisaddai. |
| 42 | Op den zesden dag offerde de overste der kinderen van Gad, Eljasaf, den zoon van Dehuel. |
| 43 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 44 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 45 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 46 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 47 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuel. |
| 48 | Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen van Efraim, Elisama, den zoon van Ammihud. |
| 49 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 50 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 51 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 52 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 53 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elisama, den zoon van Ammihud. |
| 54 | Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur. |
| 55 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 56 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 57 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 58 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 59 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Gamaliel, den zoon van Pedazur. |
| 60 | Op den negenden dag offerde de overste der kinderen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. |
| 61 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 62 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 63 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 64 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 65 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Abidan, den zoon van Gideoni. |
| 66 | Op den tienden dag offerde de overste der kinderen van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai. |
| 67 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 68 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 69 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 70 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 71 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahiezer, den zoon van Ammisaddai. |
| 72 | Op den elfden dag offerde de overste der kinderen van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran. |
| 73 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 74 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 75 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 76 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 77 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Pagiel, den zoon van Ochran. |
| 78 | Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. |
| 79 | Zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel desheiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
| 80 | Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; |
| 81 | Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; |
| 82 | Een geitenbok, ten zondoffer; |
| 83 | En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahira, den zoon van Enan. |
| 84 | Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israel, op den dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalfgouden reukschalen. |
| 85 | Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en vierhonderd sikkelen,naar den sikkel des heiligdoms. |
| 86 | Twaalf gouden reukschalen van reukwerks; elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der reukschalen was honderd entwintig sikkelen. |
| 87 | Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer. |
| 88 | En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars,nadat hetzelve gezalfd was. |
| 89 | En als Mozes in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op deark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo sprak Hij tot hem. |








