
Johannes 2 markeert een belangrijk moment in het Johannesevangelie: het begin van Jezus’ openbare optreden. Het hoofdstuk bevat twee krachtige scènes die elk een diep theologisch en symbolisch karakter hebben.
Het wonder in Kana
De bruiloft te Kana
Het hoofdstuk opent met een bruiloft in Kana in Galilea, waarbij Jezus, zijn moeder Maria en zijn discipelen aanwezig zijn (Joh. 2:1–2). Wanneer de wijn opraakt, wijst Maria Jezus op de situatie. Zijn eerste reactie (“Mijn uur is nog niet gekomen”) lijkt afstandelijk, maar hij grijpt uiteindelijk toch in.
Het eerste teken: water wordt wijn
Jezus laat zes stenen watervaten vullen met water. Bij het uitschenken blijkt het water in voortreffelijke wijn te zijn veranderd (Joh. 2:6–10). Dit wordt beschouwd als het eerste ‘teken’ (Grieks: σημεῖον) dat zijn goddelijke macht openbaart. Het dient niet louter als wonder, maar als symbolisch verwijzing naar de overvloed van het nieuwe verbond en de innerlijke transformatie die Jezus brengt.
Theologische betekenis
Johannes sluit deze passage af met de verklaring dat Jezus “zijn heerlijkheid openbaarde, en zijn discipelen geloofden in hem” (Joh. 2:11). Hier ligt de kern van Johannes’ theologie: tekenen zijn niet slechts wonderen, maar spirituele openbaringen die geloof wekken.
De tempelreiniging in Jeruzalem
De opgang naar Jeruzalem
Na Kana gaat Jezus naar Kafarnaüm, en vervolgens naar Jeruzalem voor het Joodse Pesachfeest (Joh. 2:12–13). In de tempel treft hij geldwisselaars en handelaars aan, en hij verjaagt hen met een zelfgemaakte zweep van touwen. Hij keert de tafels om en zegt: “Maakt van het huis van mijn Vader geen markt” (Joh. 2:16).
Symboliek van de tempel
De Joodse autoriteiten vragen om een teken van zijn bevoegdheid. Jezus antwoordt raadselachtig: “Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem oprichten” (Joh. 2:19). Johannes verduidelijkt dat hij daarmee op zijn eigen lichaam doelde, wat verwijst naar zijn dood en opstanding (Joh. 2:21–22).
Versterking van messiaanse identiteit
De tempelreiniging, in Johannes aan het begin van Jezus’ bediening geplaatst (in tegenstelling tot de synoptici), benadrukt zijn autoriteit en zijn komst als vervulling van de Wet en de Tempel. Jezus wordt zelf de nieuwe plaats van Gods aanwezigheid.
Geloof en menselijke natuur
Jezus kent de mens
Het hoofdstuk sluit af met een korte passage waarin wordt gesteld dat velen in Jezus geloofden vanwege de tekenen, maar dat hij zich niet aan hen toevertrouwde, “omdat hij allen kende” (Joh. 2:24–25). Johannes wijst hier op een dieper inzicht in de menselijke aard en motiveert de lezer tot een oprecht geloof, niet slechts enthousiasme over wonderen.
Johannes 2
1 En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar.
2 En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.
3 En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
4 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.
5 Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.
6 En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.
7 Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.
8 En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.
9 Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschepthadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.
10 En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toebewaard.
11 Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
12 Daarna ging Hij af naar Kapernaum, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn discipelen; en zij bleven aldaar niet vele dagen.
13 En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
14 En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.
15 En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit, enkeerde de tafelen om.
16 En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.
17 En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.
18 De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont Gij ons, dat Gij deze dingen doet?
19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.
20 De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?
21 Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams.
22 Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, datJezus gesproken had.
23 En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.
24 Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,
25 En omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van den mens; want Hij Zelf wist, wat in den mens was.








