Jesaja 48 – De stem van God tot een hardnekkig volk

0
1301

Jesaja 48 is een indringend hoofdstuk waarin God spreekt tot het volk Israël. Zij noemen Zijn naam, maar hun hart is ver van Hem. Door de profeet herinnert de Heere hen aan Zijn trouw, aan Zijn machtige daden en aan Zijn voornemen om hen te verlossen, niet omwille van hun verdiensten, maar omwille van Zijn eigen heilige Naam. Dit hoofdstuk vormt een oproep tot gehoorzaamheid, vertrouwen en aanbidding van de enige ware God, de Verlosser van Israël.

Het volk dat Gods naam noemt maar Hem niet eert

Huichelarij en ongehoorzaamheid

Het volk van Israël wordt aangesproken als degenen die zich beroemen op de naam van de Heere, maar niet leven naar Zijn geboden. Zij zweren bij de naam van de Heere, maar doen dat niet in waarheid of oprechtheid. De Heere verwijt hun dat zij wel behoren tot het huis van Jakob, maar hun hart verhard is. Hun hals is als een ijzeren pees en hun voorhoofd als koper — symbolen van koppigheid en ongevoeligheid voor Gods leiding.
Hoewel zij uiterlijk religieus lijken, is hun geloof niet echt. God kent hun wegen en weet dat zij geneigd zijn Hem te verlaten zodra het hen goedgaat. Hun woorden zijn vroom, maar hun hart is verhard. Dit is een waarschuwing voor iedere gelovige die Gods naam noemt maar niet in gehoorzaamheid leeft.

Gods kennis en openbaring

De Heere verklaart dat Hij Zijn daden en beloften van tevoren heeft bekendgemaakt, opdat niemand zou kunnen zeggen dat afgoden Zijn werk hebben verricht. Door profetie en vervulling toont God dat Hij de Almachtige is, de Enige die de toekomst kent en bepaalt. Hij zegt: “Ik heb het van oudsher verkondigd; eer het geschiedde, heb Ik het u laten horen.”
Dit laat zien dat God Zijn volk niet in het duister laat. Hij openbaart Zichzelf door Zijn Woord, zodat Israël zou leren dat er geen andere god is dan Hij. Toch heeft het volk niet geluisterd. Zij hebben Gods stem gehoord, maar niet gehoorzaamd.

Gods trouw ondanks Israëls ongehoorzaamheid

Beproeving als loutering

God verklaart dat Hij Zijn volk beproefd heeft in de oven van ellende. Niet om hen te vernietigen, maar om hen te reinigen. Zoals goud gelouterd wordt door vuur, zo zuivert God Zijn kinderen door beproeving. Hij zegt: “Om Mijnentwil zal Ik Mijn toorn bedwingen, opdat Mijn Naam niet ontheiligd worde.”
De Heere handelt niet naar Israëls verdienste, maar naar Zijn eigen heilige karakter. Zijn trouw is onveranderlijk. Hij heeft hen niet verlaten, hoewel zij Hem vaak verlaten hebben. Zijn genade blijft, omdat Hij Zijn verbond gestand doet.

De eer van Zijn Naam

De Heere zegt nadrukkelijk dat Hij Zijn heerlijkheid aan geen ander zal geven. Hij zal niet dulden dat Zijn eer gedeeld wordt met afgoden. Alles wat Hij doet — in oordeel en in redding — heeft tot doel dat Zijn Naam verheerlijkt wordt. Israël moest begrijpen dat hun bevrijding niet hun verdienste was, maar Gods genadige handelen.
Gods plan is gericht op Zijn glorie. Dat is een troost voor allen die Hem dienen: ons leven is niet afhankelijk van menselijke trouw, maar van de trouw van God Zelf.

De roeping tot gehoorzaamheid

Luister naar Mijn geboden

In het midden van het hoofdstuk klinkt Gods oproep: “Hoor dit, o Jakob, en gij Israël, Mijn geroepene.” God roept Zijn volk om te luisteren, want gehoorzaamheid is de weg van vrede. “Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt,” zegt de Heere, “dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.”
Wat een ontroerende uitspraak. De Heere verlangt ernaar dat Zijn volk leeft in rust, vrede en overvloed, maar ongehoorzaamheid heeft dat verhinderd. Dit leert dat zonde niet alleen ongehoorzaamheid is, maar ook gemiste zegen. Wie Gods geboden veracht, berooft zichzelf van vrede.

De macht van de Verlosser

God maakt Zich bekend als de Schepper van hemel en aarde, Degene die Zijn volk leidt. “Ik ben de HEERE uw God, Die u leert wat nuttig is, Die u leidt op de weg die gij gaan zult.” Hij is de Leraar en Leidsman van Zijn volk. Hij herinnert hen eraan dat Hij degene is die hen uit Egypte heeft geleid, die machtig is om ook nu te verlossen.
De oproep om te luisteren gaat gepaard met de belofte van leiding. Wie zich aan Gods Woord houdt, zal de weg van het leven vinden. Wie Hem verlaat, loopt in duisternis.

De verlossing uit Babel als beeld van geestelijke bevrijding

Uittocht en bevrijding

In de laatste verzen kondigt de Heere aan dat Hij Zijn volk zal verlossen uit Babel. “Gaat uit van Babel, vlucht van de Chaldeeën met een stem des gejuichs.” Dit is zowel een oproep tot fysieke bevrijding als een geestelijk symbool van verlossing uit de zonde. Babel staat in de Schrift vaak voor het systeem van wereldse hoogmoed en afgoderij. God roept Zijn volk om daaruit te trekken en Hem alleen te dienen.
Hij heeft Israël niet verlaten in ballingschap, maar bereidt een weg van terugkeer. Zoals Hij hen leidde door de woestijn en hen water gaf uit de rots, zo zal Hij ook nu voorzien. Zijn trouw aan het verleden is de zekerheid van hun toekomst.

De vrede van de gehoorzamen

De verlossing die God belooft, is niet alleen uit uiterlijke slavernij, maar uit innerlijke gebondenheid. “Er is geen vrede, zegt de HEERE, voor de goddelozen.” Dit slotvers is een waarschuwing. Echte vrede komt alleen door gehoorzaamheid aan God. Wie in opstand leeft tegen Hem, zal geen rust vinden, hoe voorspoedig zijn leven ook lijkt.
De ware rust is te vinden in gemeenschap met de Schepper. Jesaja 48 leert dat de mens pas vrede heeft wanneer hij wandelt in Gods geboden en zich laat leiden door Zijn Woord.

Toepassing voor vandaag

Een spiegel voor gelovigen

Jesaja 48 is meer dan geschiedenis; het is een spiegel voor iedere gelovige. Ook vandaag kunnen mensen de naam van God noemen, maar met hun hart ver van Hem zijn. God verlangt naar oprechte toewijding, niet naar uiterlijke religie. Hij vraagt geen lege woorden, maar een leven van gehoorzaamheid, nederigheid en vertrouwen.

De trouw van God blijft

Gods genade is zichtbaar in Zijn geduld. Ondanks Israëls ontrouw bleef Hij Zijn verbond trouw. Zo blijft Hij ook vandaag trouw aan Zijn beloften. In Jezus Christus heeft Hij de volmaakte Verlosser gezonden, die de gehoorzaamheid volbracht die Israël schuldig bleef. Wie tot Hem komt, vindt vergeving, vrede en leiding.

Oproep tot gehoorzaamheid

De oproep van Jesaja 48 blijft klinken: “Hoor nu dit, Mijn volk.” De zegen van God rust op gehoorzaamheid. Als wij naar Zijn stem luisteren, zal onze vrede zijn als een rivier, onze gerechtigheid als de golven van de zee. Maar als wij weigeren, verliezen wij de rust die Hij zo graag wil geven.
De keuze ligt voor ieder mens: wandelen in eigen wegen, of geleid worden door de hand van de Heere. Ware vrijheid ligt in onderwerping aan God.


Jesaja 48

1 Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israëls, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.

2 Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israëls; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

3 De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;

4 Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;

5 Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.

6 Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.

7 Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.

8 Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.

9 Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.

10 Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.

11 Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.

12 Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.

13 Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.

14 Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn.

15 Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.

16 Nadert gijlieden tot Mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft Mij gezonden.

17 Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.

18 Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.

19 Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.

20 Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!

21 En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.

22 Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.