Jesaja 37 is een aangrijpend hoofdstuk waarin de macht van God zichtbaar wordt tegenover de hoogmoed van aardse koningen. Koning Hizkia van Juda wordt geconfronteerd met de dreiging van Sanherib, de koning van Assyrië. In plaats van zich over te geven of menselijke hulp te zoeken, wendt Hizkia zich tot de Heere in gebed. Dit hoofdstuk toont hoe geloof, verootmoediging en gebed de weg openen voor Gods reddende macht.
Hizkia in nood en zijn vertrouwen op God
De Assyriërs hebben vele volken overwonnen. Sanherib stuurt zijn gezant Rabsaké naar Jeruzalem met spot en dreiging. Hij hoont de God van Israël en vergelijkt Hem met de goden van andere landen, die geen van allen hun volken konden redden. Het volk hoort deze woorden met angst.
Hizkia reageert echter niet met paniek, maar met verootmoediging. Hij scheurt zijn klederen en trekt rouwgewaad aan. Vervolgens gaat hij naar het huis des Heeren en stuurt boden naar de profeet Jesaja om raad en voorbede te vragen. Jesaja brengt Gods antwoord: “Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt.” De Heere belooft dat Sanherib niet zal slagen, maar in zijn eigen land door het zwaard zal sterven.
De brief van Sanherib en Hizkia’s gebed
Sanherib laat zich niet afschrikken. Hij stuurt een brief waarin hij de Heere opnieuw lastert en beweert dat geen enkele god zijn volk ooit heeft kunnen redden. Hizkia neemt de brief, gaat naar de tempel en spreidt hem uit voor het aangezicht van de Heere.
In een diep ontroerend gebed erkent hij Gods majesteit: “Gij zijt de God, Gij alleen, van alle koninkrijken der aarde; Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt.” Hizkia bidt niet alleen om eigen behoud, maar om de eer van Gods Naam. Hij vraagt dat de volken zullen weten dat de Heere de ware God is.
De Heere antwoordt via Jesaja. God richt Zijn woorden tot Sanherib en stelt zijn trots aan de kaak: “Tegen Wie hebt gij uw stem verheven? Tegen de Heilige Israëls.” De Heere maakt duidelijk dat Sanherib slechts een werktuig was in Zijn hand. Alles wat hij deed, gebeurde onder Gods toelating. Maar zijn hoogmoed zal zijn ondergang worden.
De belofte van Gods bescherming
De Heere belooft Juda dat Jeruzalem niet zal worden verwoest. Geen vijand zal de stad binnendringen. De Assyrische koning zal geen pijl afschieten en geen schild tegen de muren plaatsen. God Zelf zal Jeruzalem beschermen, omwille van Zijn Naam en omwille van David, Zijn knecht.
Tegelijk geeft de Heere een teken van herstel: “Het overblijfsel van het huis van Juda zal wederwaarts wortelen beneden en vrucht dragen boven.” Het volk zal weer leven, groeien en vruchten dragen in vrede. God laat zien dat Zijn plannen niet vernietigd kunnen worden.
De ingreep van de Heere
In de nacht voltrekt zich het wonder. De engel des Heeren trekt uit en doodt honderdvijfentachtigduizend Assyrische soldaten. Wanneer men ’s morgens opstaat, is het vijandige leger vernietigd. De dreiging is voorbij — niet door mensenhand, maar door Gods macht.
Sanherib keert terug naar zijn land, vernederd en verslagen. In Ninevé wordt hij later door zijn eigen zonen gedood terwijl hij neerbuigt voor zijn afgod Nisroch. Zo komt Gods woord letterlijk in vervulling.
De kracht van gebed en afhankelijkheid
Jesaja 37 laat zien dat redding niet komt door wapens of allianties, maar door gebed. Hizkia’s geloofsvertrouwen toont dat ware macht ligt in afhankelijkheid van God. Zijn voorbeeld leert dat wie de Heere zoekt met een oprecht hart, nooit beschaamd uitkomt.
De Heere hoort de gebeden van Zijn kinderen. Wanneer zij zich verootmoedigen en alles aan Hem overlaten, toont Hij Zijn trouw en kracht. Hizkia’s verhaal herinnert ons eraan dat God de trots van machtigen verbreekt en Zijn volk beschermt.
De blijvende les voor gelovigen
Ook vandaag spreekt Jesaja 37 krachtig tot het hart. In tijden van nood, angst of vijandschap nodigt God ons uit om te doen wat Hizkia deed: bidden, vertrouwen en wachten op Zijn tijd. Wie zijn lasten aan Hem toevertrouwt, zal ervaren dat Hij regeert over alles wat er op aarde gebeurt.
De boodschap van Jesaja 37 is duidelijk: God is getrouw. Hij bewaart Zijn kinderen, ook als de vijand dichtbij lijkt. Hij is machtig om te redden, zelfs wanneer alle hoop vervlogen lijkt. In gebed ontmoeten wij dezelfde God die Jeruzalem redde — de Heere van de hemelse legermachten, onze Redder en Beschermer.
Jesaja 37
1 En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.
2 Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz;
3 En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkia: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
4 Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.
5 En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja.
6 En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrië gelasterd hebben.
7 Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
8 Zo kwam Rabsake weder, en hij vond den koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende:
10 Zo zult gijlieden spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.
11 Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?
12 Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelven gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
13 Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
14 Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.
15 En Hizkia bad tot den HEERE, zeggende:
16 O HEERE der heirscharen, Gij, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde; Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt!
17 O HEERE! neig Uw oor en hoor, HEERE! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om den levenden God te honen.
18 Waarlijk, HEERE! hebben de koningen van Assyrië al de landen, mitsgaders derzelver landerijen verwoest;
19 En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
20 Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij alleen de HEERE zijt.
21 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
22 Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
23 Wien hebt gij gehoond, en gelasterd, en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls!
24 Door middel uwer dienstknechten hebt gij den HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.
25 Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
26 Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.
27 Daarom waren haar inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds en de groene grasscheutjes, als het hooi der daken, en het brandkoren, eer het overeind staat.
28 Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
29 Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.
30 En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
31 Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.
32 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver des HEEREN der heirscharen zal dit doen.
33 Daarom, zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.
34 Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
35 Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.
36 Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
37 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve.
38 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.









