Home Bijbel dagelijks Oude Testament 24 Jeremia Jeremia 34: Verbond en Ongehoorzaamheid

Jeremia 34: Verbond en Ongehoorzaamheid

0
1275
Streetart-achtige illustratie van Jeremia die profeteert tegen de koning, met donkere lucht en muren van Jeruzalem op de achtergrond.
Jeremia spreekt Gods oordeel over Juda na hun verbondsbreuk – een krachtig beeld van gerechtigheid en waarschuwing.

Jeremia 34 richt zich op een kritieke periode tijdens de belegering van Jeruzalem door Babel. Jeremia brengt een krachtige boodschap van de HEERE tot koning Zedekia en het volk van Juda. Ondanks tijdelijke gehoorzaamheid aan Gods gebod, vervalt het volk opnieuw in ongehoorzaamheid, met ernstige gevolgen. Dit hoofdstuk is een indringend voorbeeld van hoe trouw aan Gods verbond zegen brengt, maar verbondsbreuk oordeel oproept.

Zedekia’s toekomst voorspeld

Jeremia 34:1-7

Gods woord komt tot Jeremia tijdens het koningschap van Zedekia, op het moment dat Nebukadnezar koning van Babel tegen Jeruzalem strijdt. Jeremia moet Zedekia de boodschap brengen dat hij niet zal ontsnappen aan de hand van de koning van Babel. Hij zal gevangen genomen worden, en oog in oog met Nebukadnezar staan (vers 3). Toch geeft God een opmerkelijke belofte: Zedekia zal in vrede sterven en met eer begraven worden, met een brand van kruiden zoals men dat deed voor zijn voorvaders (vers 5).

Theologische reflectie

God toont zowel Zijn rechtvaardigheid als genade. De profetie dat Zedekia gevangen genomen zal worden is rechtvaardig oordeel. De belofte dat hij niet met geweld zal sterven, maar in vrede, wijst op Gods barmhartigheid. Zedekia had nog de mogelijkheid om zich te vernederen voor God.

Vrijlating van de Hebreeuwse slaven

Jeremia 34:8-11

Na de aankondiging aan Zedekia beschrijft het hoofdstuk een initiatief dat aanvankelijk getuigt van gehoorzaamheid aan Gods wet. De inwoners van Jeruzalem besluiten om hun Hebreeuwse slaven vrij te laten, in overeenstemming met de bepalingen uit de Wet van Mozes (vergelijk Ex. 21:2; Deut. 15:12).

Alleen… de vrijheid was van korte duur. Toen de dreiging van Babel tijdelijk leek af te nemen, haalde het volk hun vrijgelaten slaven weer terug en onderwierpen hen opnieuw aan slavernij (vers 11). Dit was een directe overtreding van hun verbond met God.

God ziet hart en daden

De mensen gehoorzaamden slechts onder druk, maar toen de angst wegebde, keerden zij terug naar hun oude wegen. Dit toont dat ware gehoorzaamheid voortkomt uit liefde voor God en eerbied voor Zijn gebod, niet uit angst of opportunisme.

God oordeelt de verbondsbreuk

Jeremia 34:12-22

God veroordeelt scherp de daad van het volk. Hij herinnert hen eraan dat Hij hen geboden had om hun Hebreeuwse broeders na zes jaar dienst vrij te laten, en dat dit verankerd was in Zijn verbond (vers 14).

Toen het volk de slaven vrijliet, hadden ze een eed gedaan en het verbond bezegeld in Gods huis — een ernstige aangelegenheid (vers 15). Het opnieuw tot slaaf maken van hun broeders is dus niet alleen onrechtvaardig, maar een directe verbondsbreuk. God zegt in vers 16 dat zij “Mijn Naam ontheiligd hebben”.

Het oordeel uitgesproken

Als gevolg van deze verbondsbreuk zal God hen overgeven aan het zwaard, de pest en de honger (vers 17). Jeruzalem zal verwoest worden, en de koning van Babel zal terugkeren om het tot as te maken (vers 22). De leiders die het verbond gesloten hadden worden in beeld gebracht als dierenoffers, en God zegt dat Hij hen zal geven in de hand van hun vijanden, net als het geslachte kalf waarmee ze het verbond bekrachtigden (vers 18-20).

Samenvattende inzichten

Gehoorzaamheid is meer dan uiterlijke vorm

Het hoofdstuk leert dat God niet alleen let op uiterlijke daden, maar op de innerlijke gezindheid. Het volk deed ogenschijnlijk het goede, maar alleen zolang het hen uitkwam. Zodra de druk afnam, vervielen zij in ongerechtigheid.

God is getrouw, ook in oordeel

Gods oordeel komt niet zomaar. Hij had Zijn volk herhaaldelijk gewaarschuwd. De verbondsbreuk wordt niet licht opgenomen, omdat het een belediging is van Zijn heilige Naam. Tegelijk spreekt dit hoofdstuk van Gods trouw: wat Hij zegt, dat doet Hij – in oordeel, maar ook in genade voor wie zich bekeert.

Sociale gerechtigheid is heilig

Het onderdrukken van anderen, vooral broeders en zusters, raakt het hart van God. Hij had de bevrijding uit Egypte gegeven als voorbeeld van hoe Zijn volk met elkaar moest omgaan (zie ook Deut. 15:15). Het terughalen van vrijgelaten slaven was een daad van diepe ontrouw aan het hart van Gods wet.

Toepassing voor vandaag

Jeremia 34 roept ons op tot trouwe gehoorzaamheid aan God – niet alleen wanneer het moeilijk is of wanneer we er voordeel bij hebben, maar altijd. God verlangt niet slechts ceremonie, maar oprechte toewijding.
Verbonden zijn voor God heilig. Als wij ons tot Hem bekennen, verlangt Hij dat we trouw blijven, in woord én daad.

Daarnaast toont dit hoofdstuk hoe ernstig God onrechtvaardigheid en onderdrukking neemt. Hij is een God Die hoort, Die ziet, en Die rechtvaardig oordeelt. Toch reikt Hij ook genade aan wie zich in waarheid tot Hem keren.


Jeremia 34

1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE (als Nebukadnezar, koning van Babel, en zijn ganse heir, en alle koninkrijken der aarde, die onder de heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende:

2 Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ga henen en spreek tot Zedekia, den koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.

3 En gij zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen des konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en gij zult te Babel komen.

4 Maar hoor des HEEREN woord, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt de HEERE van u: Gij zult door het zwaard niet sterven.

5 Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, alzo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de HEERE.

6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, den koning van Juda, te Jeruzalem.

7 Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.

8 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.

9 Dat een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broeder, zou doen dienen.

10 Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;

11 Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.

12 Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:

13 Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:

14 Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.

15 Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.

16 Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hun lust; en gij hebt hen ten ondergebracht, om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.

17 Daarom zegt de HEERE alzo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijn broeder, en een iegelijk voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de HEERE, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde.

18 En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:

19 De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.

20 Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.

21 Zelfs Zedekia, den koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen.

22 Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de HEERE, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.