Jeremia 25 vormt een sleutelhoofdstuk binnen het boek Jeremia. Hierin spreekt de profeet over de komende ballingschap, het oordeel van God over Juda, en de straf die de omringende volken zullen ondergaan. Het is een oproep tot inkeer, maar ook een aankondiging van hoop – want na de straf komt herstel. De woorden van Jeremia klinken als een dringende waarschuwing: wie niet luistert naar de stem van God, zal de gevolgen dragen.
De boodschap van Jeremia aan Juda (vers 1–7)
In het vierde jaar van koning Jojakim, de zoon van Josia, ontvangt Jeremia het woord des HEEREN. Dit is een cruciaal moment: het is het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar, koning van Babel. Jeremia herinnert het volk eraan dat hij al drieëntwintig jaar trouw Gods woord heeft gesproken, maar dat niemand heeft geluisterd.
God heeft herhaaldelijk Zijn profeten gezonden, maar het volk bleef doof. In vers 5 klinkt het hart van Gods oproep:
“Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg.”
Toch weigerden zij. Hun afwijzing van Gods woorden wordt de reden van hun oordeel.
De aankondiging van Babels heerschappij (vers 8–14)
Omdat Juda niet wilde luisteren, spreekt God het oordeel uit: Hij zal “alle geslachten van het noorden” brengen onder Nebukadnezar, “Mijn knecht”, tegen dit land. Babel zal het instrument van Gods rechtvaardigheid zijn.
Juda zal tot een “woestheid en ontzetting” worden, en dit oordeel zal zeventig jaar duren (vers 11). Deze periode verwijst naar de Babylonische ballingschap, waarin het volk uit zijn land wordt weggevoerd.
Maar de profetie bevat ook een belofte: wanneer de zeventig jaar zijn vervuld, zal God zelf het koninkrijk van Babel straffen “om hun ongerechtigheid” (vers 12). Zo laat de HEERE zien dat Hij niet alleen oordeelt, maar ook recht doet.
De beker van Gods toorn (vers 15–29)
Een belangrijk beeld in dit hoofdstuk is de beker vol wijn van Gods grimmigheid. God gebiedt Jeremia om deze beker rond te laten gaan onder alle volken. Zij moeten drinken, symbool van het oordeel dat hen treft.
Jeremia begint bij Jeruzalem, Gods eigen stad, want oordeel begint bij het huis van God. Daarna volgen de omliggende volken: Egypte, Filistea, Edom, Moab, Ammon, Tyrus, Sidon en de koninkrijken van het noorden. Niemand blijft gespaard.
In vers 27 zegt God:
“Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neer, zodat gij niet opstaat, vanwege het zwaard dat Ik zend.”
De beker staat voor onvermijdelijk oordeel — wie zich tegen God verheft, zal Zijn hand voelen.
Het universele oordeel (vers 30–33)
De profetie breidt zich uit van Juda naar de gehele aarde. De HEERE brult “als een leeuw van Zijn woning uit” en Zijn stem zal klinken “tegen alle inwoners der aarde.”
De beeldspraak is krachtig: God is geen afwezige toeschouwer, maar een rechtvaardige Rechter. De “dag des HEEREN” is gekomen. Er zal geen ontkomen aan zijn. Overal zal dode lichamen liggen — een aangrijpend beeld van het gevolg van ongehoorzaamheid en zonde.
Het oordeel over de koningen (vers 34–38)
Het hoofdstuk sluit af met een profetie tegen de herders, dat wil zeggen de leiders van het volk. Zij hebben de kudde niet beschermd, en nu zal het oordeel ook hen treffen.
“Schreeuwt, gij herders, en weent, en wentelt u in het stof!” (vers 34)
De herders zullen niet ontkomen; hun macht en veiligheid verdwijnen. De “toorn des HEEREN” wordt vergeleken met een brullende leeuw en een verwoestende storm.
Het land ligt verlaten, want Gods gramschap is uitgegaan.
Theologische duiding
Jeremia 25 openbaart de ernst van zonde en ongehoorzaamheid, maar ook Gods trouw in het uitvoeren van Zijn woorden. Het oordeel over Juda is niet willekeurig, maar rechtvaardig en verdiend. Tegelijk toont God dat Hij de wereldgeschiedenis bestuurt — zelfs een heidense koning als Nebukadnezar is “Mijn knecht” (vers 9).
De beker van toorn herinnert ons eraan dat zonde niet ongestraft blijft. Toch wijst dit beeld vooruit naar het Nieuwe Testament, waar Christus zélf de beker van Gods toorn drinkt in onze plaats (Mattheüs 26:39).
De profetie eindigt niet in wanhoop, maar in recht. Na zeventig jaar zal herstel komen — een belofte die haar vervulling vindt in de terugkeer uit ballingschap, en geestelijk in de verlossing door Jezus Christus.
Toepassing voor vandaag
Jeremia 25 roept ons op om te luisteren naar Gods stem, zolang het nog dag is. Zoals Juda waarschuwt, zo geldt ook voor ons: wie Gods Woord negeert, verhardt zijn hart.
Maar God is geduldig. Hij blijft spreken door Zijn Woord en Geest, en biedt vergeving aan wie zich tot Hem keren. De beker van toorn is niet ons deel, als wij schuilen bij Christus, Die onze vrede werd.
Conclusie
Jeremia 25 is een hoofdstuk van oordeel én hoop. Het leert ons dat God heilig en rechtvaardig is, maar ook genadig. Hij regeert over koningen en volken, en Zijn plannen falen nooit.
Na de storm van oordeel blijft Zijn trouw overeind — want Zijn beloften zijn eeuwig waar.
Jeremia 25
1 Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel);
2 Hetwelk de profeet Jeremia gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:
3 Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.
4 Ook heeft de HEERE tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);
5 Zeggende: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw;
6 En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.
7 Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, u zelven ten kwade.
8 Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;
9 Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
10 En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.
11 En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.
12 Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.
13 En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.
14 Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; alzo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen.
15 Want alzo heeft de HEERE, de God Israëls, tot mij gezegd: Neem dezen beker des wijns der grimmigheid van Mijn hand, en geef dien te drinken al den volken, tot welke Ik u zende;
16 Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden.
17 En ik nam den beker van des HEEREN hand, en ik gaf te drinken al den volken, tot welke de HEERE mij gezonden had;
18 Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te dezen dage;
19 Farao, den koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk;
20 En den gansen gemengden hoop, en allen koningen des lands van Uz; en allen koningen van der Filistijnen land, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
21 Edom, en Moab, en den kinderen Ammons;
22 En allen koningen van Tyrus, en allen koningen van Sidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.
23 Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
24 En allen koningen van Arabië; en allen koningen des gemengden hoops, die in de woestijn wonen;
25 En allen koningen van Zimri, en allen koningen van Elam, en allen koningen van Medië;
26 En allen koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, den een met den anderen; ja, allen koninkrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.
27 Gij zult dan tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat gij niet weder opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden.
28 En het zal geschieden, wanneer zij weigeren zullen den beker van uw hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Gij zult zekerlijk drinken!
29 Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners der aarde, spreekt de HEERE der heirscharen.
30 Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zeggen: De HEERE zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijner heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiven treders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde.
31 Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de HEERE heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de HEERE.
32 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk. en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.
33 En de verslagenen des HEEREN zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op den aardbodem zullen zij zijn.
34 Huilt, gij herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, gij heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult gij vervallen als een kostelijk vat.
35 En de vlucht zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken der kudde.
36 Er zal zijn een stem des geroeps der herderen, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de HEERE hun weide verstoort.
37 Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden, vanwege de hittigheid des toorns des HEEREN.
38 Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hunlieder land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hittigheid des verdrukkers, ja, vanwege de hittigheid Zijns toorns.









