Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 45: Jozef onthult zich aan zijn broers

Genesis 45: Jozef onthult zich aan zijn broers

0
1601
Jozef onthult zijn identiteit aan zijn broers in Egypte en toont vergeving en ontroering – een keerpunt in Genesis 45.
Jozef toont zijn ware identiteit aan zijn broers en omarmt hen met tranen van vergeving.

Genesis 45 beschrijft één van de meest aangrijpende momenten in het boek Genesis: de onthulling van Jozef aan zijn broers.

Na Juda’s pleidooi aan het einde van het vorige hoofdstuk, kan Jozef zich niet langer bedwingen. Hij stuurt al zijn Egyptische dienaren weg zodat hij alleen is met zijn broers. Daar barst hij in tranen uit en maakt zich bekend: “Ik ben Jozef, leeft mijn vader nog?” Zijn broers zijn met stomheid geslagen en durven geen antwoord te geven vanwege de schrik.

Jozef probeert hun angst weg te nemen. Hij zegt dat ze zich niet hoeven te schamen of te vrezen omdat ze hem naar Egypte hadden verkocht. Volgens Jozef was het Gods plan om hem vooruit te zenden om levens te redden. Vijf jaren hongersnood liggen nog in het verschiet, maar door Jozefs positie in Egypte heeft hij de macht gekregen om vele mensen, inclusief zijn familie, in leven te houden.

Jozef herhaalt dat het niet zijn broers waren die hem hierheen hebben gebracht, maar God zelf. Hij zegt dat God hem tot vader van Farao heeft gemaakt, tot heer over diens huis en tot heerser over heel Egypte.

Hij gebiedt zijn broers om terug te keren naar Kanaän en zijn vader Jakob te halen. Ze moeten hem vertellen over Jozefs positie en rijkdom in Egypte. Jozef zal zijn familie vestigen in het land Gosen, waar ze veilig zullen zijn en voorzien van voedsel tijdens de komende hongersnood. Hij dringt aan dat ze zich haasten en zijn vader brengen.

Daarna omhelst hij Benjamin met tranen, en ook de andere broers. Pas dan durven ze met hem te spreken. Het nieuws bereikt Farao, die verheugd is en Jozef zijn steun toezegt. Farao draagt zijn broers op om hun gezinnen te halen en belooft hun het beste deel van Egypte te geven. Ze krijgen wagens mee om Jakob en hun gezinnen te vervoeren.

Jozef geeft zijn broers ook geschenken mee. Benjamin ontvangt vijfmaal zoveel kleding en geld, een teken van Jozefs genegenheid. Hun vader krijgt wagens, ezels met voedsel en geschenken. Als de broers vertrekken, waarschuwt Jozef hen om onderweg niet te twisten.

Thuis in Kanaän vertellen ze hun vader Jakob het goede nieuws: Jozef leeft nog en is heerser over geheel Egypte! Jakob is eerst sprakeloos van ongeloof, maar wanneer hij de wagens en geschenken ziet, herleeft zijn geest. Hij zegt: “Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan en hem zien, voordat ik sterf.”

Genesis 45 laat zien hoe Gods voorzienigheid over zonde en verdriet heen werkt. Jozef vergeeft zijn broers, erkent Gods hand in zijn lijden en biedt redding aan zijn familie. Dit hoofdstuk is een krachtig voorbeeld van vergeving, herstel van familiebanden en het plan van God dat zich ondanks menselijke fouten voltrekt.


Genesis 45

1 Toen kon   zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep:Doet   alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan   zijnbroederen bekend maakte.
2 En hij   verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat   hetFarao’s huis hoorde.
3 En Jozef   zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijnbroeders   konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijnaangezicht.
4 En Jozef   zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toenzeide   hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.
5 Maar nu,   weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gijmij   hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden,   totbehoudenis des levens.
6 Want het   zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nogvijf   jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.
7 Doch God   heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel testellen   op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.
8 Nu dan,   gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao’svader   gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het   ganseland van Egypte.
9 Haast u en   trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: Godheeft   mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoefniet.
10 En gij   zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uw zonen, en dezonen   uwer zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat gij hebt.
11 En ik zal   u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn,opdat   gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!
12 En ziet,   uw ogen zien het, en de ogen van mijn broeder Benjamin, dat mijn mondtot u   spreekt.
13 En   boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezienhebt;   en haast u, en brengt mijn vader herwaarts af.
14 En hij   viel aan den hals van Benjamin, zijn broeder, en weende; en Benjaminweende   aan zijn hals.
15 En hij   kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijnbroeders   met hem.
16 Als dit   gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zeide: Jozefsbroeders   zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen vanzijn   knechten.
17 En Farao   zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, entrekt   heen, gaat naar het land Kanaan;
18 En neemt   uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste   vanEgypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.
19 Gij zijt   toch gelast: doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uw kinderkens,en   voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.
20 En uw oog   verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, datzal het   uwe zijn.
21 En de   zonen van Israel deden alzo. Zo gaf Jozef hun wagenen, naar Farao’s bevel;ook   gaf hij hun teerkost op den weg.
22 Hij gaf   hun allen, iedereen, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij   driehonderdzilverlingen, en vijf wisselklederen.
23 En zijn   vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte,en   tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op   denweg.
24 En hij   zond zijn broeders heen; en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort   uniet op den weg.
25 En zij   trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaan tot hun vaderJakob.
26 Toen   boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder   ingans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.
27 Maar als   zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot   hengesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem   tevoeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.
28 En Israel   zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien,eer   ik sterve!