Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 28: Jakobs droom in Bethel en Gods belofte aan hem

Genesis 28: Jakobs droom in Bethel en Gods belofte aan hem

0
1094
Jakob slaapt in Bethel terwijl engelen opstijgen op een ladder naar de hemel, in barokke stijl met graffiti-elementen.
Barok-stijl streetart verbeeldt Jakobs droom uit Genesis 28, met engelen op een ladder tussen hemel en aarde.

Genesis 28 beschrijft een belangrijke overgang in het leven van Jakob. Het hoofdstuk begint met Izak die zijn zoon Jakob zegent en hem opdraagt geen vrouw te nemen uit het land Kanaän, maar in plaats daarvan naar Paddan-Aram te gaan om daar een vrouw te nemen uit de familie van zijn moeder Rebekka. Deze opdracht wordt gegeven in de context van het zoeken naar een godvrezende levenspartner en het voortzetten van de zegen van Abraham. Izak bevestigt daarbij dat God Jakob zal zegenen, hem vruchtbaar zal maken en hem en zijn nageslacht het land zal geven dat Hij aan Abraham beloofd had.

Ezau, Jakobs broer, merkt op dat zijn vader geen Kanaänitische vrouwen waardeert en trouwt daarom met een dochter van Ismaël, om zijn ouders een genoegen te doen. Dit laat een kant van Ezau zien die probeert zijn ouders tevreden te stellen, ondanks eerdere conflicten.

Jakob gehoorzaamt zijn ouders en vertrekt naar Haran. Onderweg, in een plaats die later Beth-El zal heten, overnacht hij en heeft hij een bijzondere droom. Hij ziet een ladder die op de aarde staat en tot in de hemel reikt, met engelen van God die erop op- en neergaan. Boven aan de ladder staat de HEERE, die zich aan Jakob bekendmaakt als de God van Abraham en Izak. God bevestigt aan Jakob dezelfde beloften als aan Abraham: het land waarop hij ligt zal hem en zijn nageslacht toebehoren, en zijn nageslacht zal talrijk zijn als het stof der aarde. Bovendien belooft God dat in Jakobs nageslacht alle geslachten van de aarde gezegend zullen worden. De HEERE verzekert Jakob dat Hij met hem zal zijn, hem zal beschermen en hem zal terugbrengen naar dit land.

Wanneer Jakob wakker wordt, beseft hij dat hij op een heilige plaats is. Hij is diep onder de indruk en noemt de plaats Beth-El, wat “huis van God” betekent. Uit eerbied voor deze openbaring stelt hij een gedenksteen op en giet er olie over als teken van toewijding. Jakob doet vervolgens een gelofte: als God hem beschermt, hem voedsel en kleding geeft en hem veilig naar huis terugbrengt, dan zal de HEERE zijn God zijn, en zal hij Hem trouw zijn, inclusief het geven van tienden van alles wat hij ontvangt.


Genesis 28

1 En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neemgeen vrouw van de dochteren van Kanaan.

2 Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwermoeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwermoeders broeder.

3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gijtot een hoop volken wordt.

4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijkbezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegevenheeft.

5 Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoonvan Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau’s moeder.

6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aramweggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende,dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren vanKanaan;

7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naarPaddan-Aram getrokken was;

8 En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen vanIzak, zijn vader;

9 Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster vanNebajoth.

10 Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.

11 En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan;en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich teslapen te dierzelver plaats.

12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aande hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.

13 En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uwvader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aanu geven, en aan uw zaad.

14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte,westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaadzullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ikzal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaanhebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.

16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aandeze plaats, en ik heb het niet geweten!

17 En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huisGods, en dit is de poort des hemels!

18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijnhoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olieboven op.

19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad tevoren was Luz.

20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn,en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebbenbrood om te eten, en klederen om aan te trekken;

21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mijtot een God zijn!

22 En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Godswezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!