
Genesis 19 beschrijft het dramatische verhaal van Sodom en Gomorra, twee steden die berucht waren vanwege hun slechte gedrag. God besluit deze steden te vernietigen vanwege hun zonden. Twee engelen bezoeken Sodom, waar Lot, de neef van Abraham, hen verwelkomt en onderdak biedt. De mannen van Sodom verzamelen zich echter rond het huis en eisen dat Lot zijn gasten naar buiten brengt, zodat zij hen kunnen misbruiken. Lot probeert hen te beschermen en biedt zelfs zijn dochters aan, maar dit wordt geweigerd. De engelen verblinden de aanvallers en dringen erop aan dat Lot en zijn familie snel de stad verlaten omdat de vernietiging nabij is.
Lot en zijn familie worden gehaast uit de stad geleid met de opdracht niet achterom te kijken. Terwijl ze vluchten naar Zoar, laat God zwavel en vuur regenen op Sodom en Gomorra, waardoor deze steden volledig worden verwoest. De vrouw van Lot kijkt achterom en verandert daardoor in een zoutpilaar.
Na de verwoesting zoekt Lot toevlucht in een grot met zijn twee dochters. Omdat de dochters geloven dat er geen mannen over zijn om hen kinderen te schenken, besluiten zij hun vader dronken te voeren en met hem te slapen. Hierdoor raken beide dochters zwanger. De oudste krijgt een zoon die zij Moab noemt, stamvader van de Moabieten; de jongste krijgt een zoon die zij Ben-Ammi noemt, stamvader van de Ammonieten.
Deze gebeurtenis onderstreept thema’s als oordeel over zonde, gehoorzaamheid aan God, maar ook de gevolgen van angst en wanhoop. Het hoofdstuk maakt duidelijk hoe ver de gevolgen kunnen reiken wanneer men afstand neemt van Gods normen en waarden. Tegelijkertijd toont het hoofdstuk ook Gods genade door Lot en zijn dochters te sparen.
Genesis 19
1 En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort teSodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met hetaangezicht ter aarde.
2 En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, envernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zijzeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.
3 En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis;en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
4 Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen vanSodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk,van het uiterste einde af.
5 En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht totu gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;
7 En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!
8 Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot uuitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezenmannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
9 Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om alsvreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij umeer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zijtraden toe om de deur open te breken.
10 Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis,en sloten de deur toe.
11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden,van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur tevinden.
12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, ofuw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit dezeplaats;
13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voorhet aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar teverderven.
14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemenzouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat dezestad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.
15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op,neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in deongerechtigheid dezer stad niet omkomt.
16 Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw,en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; enzij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.
17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoudu om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte;behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!
19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uwweldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel tebehouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar hetgebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij tochderwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, datIk deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.
22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarheneningekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.
23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van denHEERE uit den hemel.
25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden,ook het gewas des lands.
26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hijvoor het aangezicht des HEEREN gestaan had.
28 En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; enhij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.
29 En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aanAbraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in hetomkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem;want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijntwee dochters.
31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen manin dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.
32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij vanonze vader zaad in het leven behouden.
33 En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, enlag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haaropstaan.
34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste:Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hemwijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad inhet leven behouden.
35 En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op,en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haaropstaan.
36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.
37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is devader der Moabieten, tot op dezen dag.
38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is devader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.








