Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 15: Gods verbond met Abram en belofte van nageslacht

Genesis 15: Gods verbond met Abram en belofte van nageslacht

0
1238
Mural van God en Abram onder een sterrenhemel, symboliseert het verbond van Genesis 15 in streetart-stijl.
Streetart-muurschildering van Genesis 15: God sluit een verbond met Abram onder de sterrenhemel, een visuele geloofsbelofte.

Genesis 15 vertelt over een bijzonder moment in het leven van Abram (later Abraham), waarin God een diepgaand verbond met hem sluit. Het hoofdstuk begint met Gods bemoedigende woorden tot Abram: “Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” Abram, hoewel gezegend, worstelt met het feit dat hij nog geen kinderen heeft en denkt dat zijn erfgenaam zijn knecht Eliezer zal zijn. God verzekert hem echter dat zijn eigen biologische zoon zijn erfgenaam zal worden.

God leidt Abram naar buiten en zegt dat hij naar de hemel moet kijken en de sterren moet tellen – zo talrijk zal zijn nageslacht zijn. Deze indrukwekkende belofte wordt gevolgd door een belangrijk moment in de Bijbel: Abram gelooft de HEERE, en God rekent hem dit geloof tot gerechtigheid aan. Deze uitspraak is later van groot theologisch belang in zowel het jodendom als het christendom.

Vervolgens herinnert God Abram eraan dat Hij hem uit Ur der Chaldeeën heeft geleid om hem het beloofde land te geven. Abram vraagt hoe hij zeker kan weten dat hij het land zal bezitten. Als antwoord geeft God hem de opdracht om een aantal dieren te nemen – een driejarige vaars, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif – en deze te offeren. Abram snijdt de grotere dieren doormidden en legt de helften tegenover elkaar; de vogels snijdt hij niet.

Terwijl Abram waakt, komen roofvogels op het vlees af, maar hij verjaagt ze. Bij zonsondergang valt hij in een diepe slaap, en een huiveringwekkende duisternis overvalt hem. In dit moment openbaart God wat er met Abrams nageslacht zal gebeuren: zij zullen vreemdelingen zijn in een vreemd land (Egypte), waar zij vierhonderd jaar onderdrukt zullen worden. Maar God belooft dat Hij het volk dat hen onderdrukt zal oordelen en dat Abrams nageslacht met grote rijkdom zal terugkeren. Abram zelf zal in vrede sterven op hoge leeftijd.

Als de zon onder is, verschijnt een rokende oven en een vurige fakkel die tussen de stukken van de offers doorgaat – een visioen waarmee God symbolisch het verbond met Abram bezegelt. Op diezelfde dag belooft God dat Abrams nageslacht het land zal bezitten van de rivier van Egypte tot de Eufraat, inclusief het gebied van tien volken.

Genesis 15 markeert dus het moment waarop God op een plechtige en tastbare manier Zijn belofte aan Abram bevestigt: nageslacht, land en zegen – centrale thema’s in de heilsgeschiedenis.


Genesis 15

1 Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht,zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

2 Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonderkinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliezer?

3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon vanmijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

4 En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaamniet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel desterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

6 En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur derChaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.

8 En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?

9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en eendriejarige ram, en een tortelduif, en een jonge duif.

10 En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deeltegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.

11 En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

12 En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap opAbram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in eenland, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukkenvierhonderd jaren.

14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zijuittrekken met grote have.

15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begravenworden.

16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid derAmorieten is tot nog toe niet volkomen.

17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar waseen rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uwzaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier,de rivier Frath:

19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

21 En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.