
Genesis 12 markeert een belangrijk keerpunt in het Bijbelverhaal: het begin van de roeping van Abram (later Abraham) door God. In dit hoofdstuk roept de HEERE Abram om zijn land, familie en vaders huis te verlaten en naar een land te gaan dat Hij hem zal wijzen. Deze oproep is het begin van Gods verbond met Abram en met het volk dat uit hem zal voortkomen.
God belooft Abram dat Hij hem tot een groot volk zal maken, hem zal zegenen, zijn naam groot zal maken en dat hij een zegen zal zijn voor anderen. Tevens zegt God dat wie Abram zegent, gezegend zal worden, en wie hem vervloekt, vervloekt zal worden. Door Abram zullen alle geslachten op aarde gezegend worden – een profetische verwijzing naar de komst van Jezus Christus uit zijn nageslacht.
Abram gehoorzaamt en vertrekt uit Haran op 75-jarige leeftijd, samen met zijn vrouw Sarai en zijn neef Lot. Ze nemen al hun bezit en het personeel dat ze hebben verworven mee. Ze reizen naar het land Kanaän. Bij Sichem verschijnt de HEERE aan Abram en bevestigt de belofte: “Aan uw zaad zal Ik dit land geven.” Hier bouwt Abram een altaar voor de HEERE.
Abram trekt verder en bouwt opnieuw een altaar, waar hij de Naam des HEEREN aanroept. Maar er ontstaat honger in het land, en Abram trekt naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven. Uit angst dat de Egyptenaren hem zullen doden vanwege de schoonheid van Sarai, vraagt hij haar om zich voor te doen als zijn zuster.
Farao’s dienaren merken Sarai op en brengen haar naar het huis van Farao, die Abram goed behandelt om harentwil. Maar God straft Farao en zijn huis met grote plagen vanwege Sarai. Farao komt erachter wat er gebeurd is en confronteert Abram. Hij geeft Sarai terug en stuurt Abram met al zijn bezit het land uit.
Dit hoofdstuk toont Abram als een man van geloof die God gehoorzaamt, maar ook als een mens met tekortkomingen. Toch is Gods genade zichtbaar: Hij beschermt Abram en Sarai en blijft trouw aan Zijn beloften. Het laat zien hoe God begint met het vormen van Zijn volk, en hoe Hij mensen roept en leidt, ondanks hun fouten.
Genesis 12
1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap,en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; enwees een zegen!
3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen allegeslachten des aardrijks gezegend worden.
4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog methem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have,die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zijtogen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.
6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan heteikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.
7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit landgeven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaarverschenen was.
8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hijsloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hijbouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.
9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.
10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als eenvreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.
11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai,zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.
12 En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat iszijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.
13 Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwilleve.
14 En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouwzagen, dat zij zeer schoon was.
15 Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouwwerd weggenomen naar het huis van Farao.
16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, enezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.
17 Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake vanSarai, Abrams huisvrouw.
18 Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waaromhebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?
19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoudegenomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!
20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijnhuisvrouw, en alles wat hij had.








