Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 11: Toren van Babel en Afstamming van Abram

Genesis 11: Toren van Babel en Afstamming van Abram

0
1272
Streetart muurschildering van de Toren van Babel met kleurrijke graffiti en tekst over Abram en Genesis 11.
Kunstzinnige muurschildering toont de Toren van Babel met verwijzing naar Abram, geïnspireerd op Genesis 11.

Genesis 11 bevat twee hoofdonderwerpen: de torenbouw van Babel en de geslachtslijn van Sem tot aan Abram (later Abraham). Hieronder volgt een samenvatting in ongeveer 400 woorden:

Genesis 11 begint met de beschrijving dat de hele aarde één taal en één spraak had. Toen de mensen naar het oosten trokken, vestigden zij zich in een vlakte in het land Sinear. Daar besloten ze een stad en een toren te bouwen waarvan de top tot in de hemel zou reiken. Hun motivatie was om een naam voor zichzelf te maken en te voorkomen dat ze over de hele aarde verspreid zouden raken.

God zag de stad en de toren die de mensen bouwden, en Hij merkte op dat, omdat zij allen één taal spraken, niets wat zij zich voornamen onmogelijk voor hen zou zijn. Om hun plannen te stoppen, verwarde Hij hun taal zodat zij elkaar niet meer begrepen. Hierdoor hielden zij op met het bouwen van de stad en werden zij door God over de gehele aarde verstrooid. De stad werd Babel genoemd, wat ‘verwarring’ betekent, omdat daar de HEERE de spraak der gehele aarde verwarde (Genesis 11:1-9).

Het tweede deel van het hoofdstuk bevat een genealogie die de afstammelingen van Sem, een zoon van Noach, beschrijft. Deze lijst is belangrijk omdat het de lijn volgt naar Abram, die later Abraham zal worden, de stamvader van het volk Israël. De genealogie vermeldt onder andere Arfachsad, Selah, Heber, Peleg, Rehu, Serug, Nahor, en uiteindelijk Terah, de vader van Abram, Nahor en Haran.

Het hoofdstuk eindigt met de introductie van Abram en zijn familie. Terah woonde in Ur der Chaldeeën en nam Abram, zijn kleinzoon Lot (zoon van Haran), en Sarai (Abrams vrouw), en vertrok naar Kanaän. Zij kwamen echter slechts tot Haran en woonden daar. Terah stierf in Haran op de leeftijd van 205 jaar (Genesis 11:27-32).

Genesis 11 laat de overgang zien van de vroege mensheid naar het begin van Gods plan met Abram. Het laat zien hoe menselijke hoogmoed en onafhankelijkheid van God leidt tot verwarring, terwijl God tegelijkertijd Zijn heilsgeschiedenis voortzet via één man en zijn nageslacht.


Genesis 11

1 En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.

2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.

3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en weldoorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.

4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welksopperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij nietmisschien over de ganse aarde verstrooid worden!

5 Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die dekinderen der mensen bouwden.

6 En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; endit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden wordenal wat zij bedacht hebben te maken?

7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdatiegelijk de spraak zijns naasten niet hore.

8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden opde stad te bouwen.

9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE despraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganseaarde.

10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewonArfachsad, twee jaren na den vloed.

11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hijgewon zonen en dochteren.

12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.

13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.

15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hijgewon zonen en dochteren.

16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.

17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.

19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.

21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.

23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hijgewon zonen en dochteren.

24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.

25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.

27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; enHaran gewon Lot.

28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte,in Ur der Chaldeen.

29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw wasSarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran,vader van Milka, en vader van Jiska.

30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.

31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai,zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uitUr der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, enwoonden aldaar.

32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.