Home Bijbel dagelijks Oude Testament 02 Exodus Exodus 14: God splijt de zee en redt Israël van Egypte

Exodus 14: God splijt de zee en redt Israël van Egypte

0
1127
Mozes splijt de zee terwijl het volk Israël vlucht voor Egyptische soldaten – barokke streetart vol beweging en drama.
Mozes opent de zee met zijn staf, het volk vlucht haastig terwijl Egyptische strijdwagens naderen – barokke streetart vol spanning.

Exodus 14 vertelt het dramatische vervolg van Israëls uittocht uit Egypte. Farao, die spijt krijgt dat hij het volk heeft laten gaan, zet met zijn leger de achtervolging in. God toont Zijn macht door de zee te splijten en Israël droog door het water te leiden, terwijl de Egyptenaren omkomen. Het hoofdstuk is een krachtig getuigenis van Gods bescherming en verlossing.

God leidt het volk naar de zee (vers 1–9)

God gebiedt Mozes om het volk op een ogenschijnlijk omweg te laten reizen richting de Rode Zee (Schelzee), bij Pi-Hachiroth. Hierdoor lijkt het alsof Israël verdwaald is, en Farao krijgt spijt dat hij hen heeft laten gaan. Hij mobiliseert zijn leger, inclusief 600 uitgekozen wagens, om Israël terug te halen. Intussen trekt Israël verder, geleid door God.

Angst en geloofsstrijd bij de Israëlieten (vers 10–14)

Wanneer de Israëlieten het naderende leger zien, worden ze bang en klagen ze tegen Mozes. Ze verwijten hem dat hij hen uit Egypte heeft geleid om in de woestijn te sterven. Mozes spoort hen echter aan tot vertrouwen en zegt: “De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.” Deze woorden vormen het kernpunt van het hoofdstuk: Gods overwinning komt niet door menselijke kracht, maar door geloof en gehoorzaamheid.

De zee wordt gespleten (vers 15–22)

God gebiedt Mozes om zijn staf uit te strekken over de zee. Ondertussen beweegt de wolkkolom zich tussen het leger van Egypte en het kamp van Israël, waardoor Egypte hen niet kan bereiken. Dan splijt God de zee door een sterke oostenwind, en het volk trekt droogvoets door het midden van de zee. Het water vormt muren aan weerszijden – een ongekend wonder.

Het Egyptische leger wordt vernietigd (vers 23–31)

De Egyptenaren volgen met hun wagens het volk de zee in, maar God brengt verwarring onder hen. De wielen van hun wagens raken los, en paniek breekt uit. Op Gods bevel strekt Mozes zijn hand opnieuw uit over de zee, en het water keert terug over de Egyptenaren. Het hele leger van Farao komt om, geen een ontkomt. Zo toont God zijn almacht. Israël ziet de lichamen van de Egyptenaren aan de oever liggen.

Slotgedachte

Exodus 14 eindigt met de bevestiging dat Israël de HEERE vreesde en geloofde in Hem en in Mozes, Zijn dienaar. Het hoofdstuk is een krachtige herinnering dat, zelfs als er geen uitweg lijkt, God een pad kan maken – zelfs door de zee.

Voor meer geloofsinspiratie: Brieven aan God 🌊

Exodus 14

1

Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

2

Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voorPi-Hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-Zefon; daar tegenoverzult gij u legeren aan de zee.

3

Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; diewoestijn heeft hen besloten.

4

En Ik zal Farao’s hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aanal zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik deHEERE ben. En zij deden alzo.

5

Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo ishet hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden:Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israel hebben laten trekken, dat zij onsniet dienden?

6

En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.

7

En hij nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja, al de wagens van Egypte, en dehoofdlieden over die allen.

8

Want de HEERE verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij dekinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door een hoge handuitgegaan.

9

En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerdhadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijnheir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.

10

Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet,de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderenIsraels tot den HEERE.

11

En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geengraven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waaromhebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt?

12

Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons,en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest deEgyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

13

Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil desHEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij hedengezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.

14

De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

15

Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderenIsraels, dat zij voorttrekken.

16

En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat dekinderen Israels door het midden der zee gaan op het droge.

17

En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan;en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagenen enaan zijn ruiteren.

18

En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijktzal worden aan Farao, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.

19

En de Engel Gods, Die voor het heir van Israel ging, vertrok, en ging achter hen;de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.

20

En zij kwamen tussen het leger der Egyptenaren, en tussen het leger van Israel; ende wolk was te gelijk duisternis en verlichtte den nacht; zodat de een tot denander niet naderde den gansen nacht.

21

Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zeeweggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zeedroog, en de wateren werden gekliefd.

22

En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en dewateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.

23

En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden vanFarao, zijn wagenen en zijn ruiteren, in het midden van de zee.

24

En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat de HEERE, in de kolom desvuurs en der wolk, zag op het leger der Egyptenaren; en Hij verschrikte het legerder Egyptenaren.

25

En Hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren.Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht van Israel, wantde HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.

26

En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de waterenwederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters.

27

Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weder, tegen hetnaken van den morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten dietegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee.

28

Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruitersvan het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet eenvan hen over.

29

Maar de kinderen Israels gingen op het droge, in het midden der zee; en dewateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.

30

Alzo verloste de HEERE Israel aan dien dag uit de hand der Egyptenaren; enIsrael zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee.

31

Ook zag Israel de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had;en het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijnknecht.