
Exodus 13 markeert het begin van de reis van de Israëlieten uit Egypte. Na hun bevrijding uit slavernij geeft God Mozes specifieke instructies over de heiliging van de eerstgeborenen, de viering van het feest van de ongezuurde broden, en hoe het volk zich moet herinneren dat God hen uit Egypte heeft geleid. Het hoofdstuk benadrukt ook Gods leiding tijdens hun tocht.
Heiliging van de eerstgeborenen (vers 1–2, 11–16)
God gebiedt Mozes dat alle eerstgeborenen, zowel van mens als dier, aan Hem geheiligd moeten worden, want Hij heeft alle eerstgeborenen van Israël gespaard tijdens de tiende plaag in Egypte. Dit gebod herinnert het volk eraan dat het God toebehoort. Er wordt ook voorgeschreven hoe de eerstgeborenen gelost moeten worden, en dat deze inzetting van generatie op generatie onderwezen moet worden.
Het feest van de ongezuurde broden (vers 3–10)
Mozes legt uit dat de Israëlieten dit feest jaarlijks moeten houden ter herinnering aan hun uittocht uit Egypte. Zeven dagen lang mogen zij geen gezuurd brood eten, als symbool van de haast waarmee zij vertrokken. De vierde dag wordt specifiek gewijd aan gedenken en onderricht aan de kinderen over Gods bevrijdende kracht.
God leidt Zijn volk (vers 17–22)
Hoewel de kortste route naar Kanaän door het land van de Filistijnen ging, leidde God hen via een omweg door de woestijn, opdat ze bij oorlog niet ontmoedigd zouden raken en terugkeren. God ging hun voor in een wolkkolom overdag en een vuurkolom ’s nachts, als zichtbare tekenen van Zijn voortdurende aanwezigheid en leiding.
Deze passage onderstreept Gods trouw en zorg voor Zijn volk. Hij vraagt hun gehoorzaamheid en herinnering aan Zijn daden, terwijl Hij hen beschermt en leidt op hun reis naar het beloofde land.
Exodus 13
1 |
Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: |
2 |
Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderenIsraels, van mensen en van beesten, dat is Mijn. |
3 |
Verder zeide Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welkengijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de HEERE heeft u dooreen sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegetenworden. |
4 |
Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib. |
5 |
En het zal geschieden, als u de HEERE zal gebracht hebben in het land derKanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Hevieten, en derJebusieten, hetwelk Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiendevan melk en honig; zo zult gij dezen dienst houden in deze maand. |
6 |
Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag zal denHEERE een feest zijn. |
7 |
Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal biju niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw palen. |
8 |
En gij zult uw zoon te kennen geven te dienzelven dage, zeggende: Dit is omhetgeen de HEERE mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittoog. |
9 |
En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen,opdat de wet des HEEREN in uw mond zij, omdat u de HEERE door een sterkehand uit Egypte uitgevoerd heeft. |
10 |
Daarom onderhoudt deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar. |
11 |
Het zal ook geschieden, wanneer u de HEERE in het land der Kanaanieten zalgebracht hebben, gelijk Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u zalgegeven hebben; |
12 |
Zo zult gij tot den HEERE doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ookalles, wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult; demannetjes zullen des HEEREN zijn. |
13 |
Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent, zult gij lossen met een lam;wanneer gij het nu niet lost, zo zult gij het den nek breken; maar alleeerstgeborenen des mensen onder uw zonen zult gij lossen. |
14 |
Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat isdat? zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uitEgypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. |
15 |
Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo dooddede HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af,tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes vanalles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik. |
16 |
En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uwogen; want de HEERE heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. |
17 |
En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God nietop den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide:Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naarEgypte. |
18 |
Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. Dekinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland. |
19 |
En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwareneed de kinderen Israels bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzekerbezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier! |
20 |
Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde derwoestijn. |
21 |
En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hijhen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, omvoort te gaan dag en nacht. |
22 |
Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg vanhet aangezicht des volks. |








