In Deuteronomium 15 geeft God via Mozes concrete wetten over schuldenvrijlating, zorg voor de armen en vrijlating van Hebreeuwse slaven. Het hoofdstuk benadrukt vrijgevigheid, rechtvaardigheid en het gedenken van Gods bevrijding uit Egypte.
Vrijlating van schulden – Het sabbatsjaar
Het zevende jaar als jaar van kwijtschelding
Aan het einde van elke zeven jaar moeten alle Israëlieten hun medebroeders hun schulden kwijtschelden. Dit wordt de vrijlating des HEEREN genoemd.
- Israëlische schuldeisers mogen hun volksgenoten niet aansporen terug te betalen.
- Buitenlanders blijven wel hun schuldplicht behouden.
- Het doel: er zal geen bedelaar onder hen zijn, omdat God overvloed belooft als het volk Zijn geboden onderhoudt.
Gehoorzaamheid en zegen
Wanneer Israël Gods stem gehoorzaamt, zal het lenen aan vele volken, maar zelf niet hoeven lenen, en zal het heersen over andere naties, in plaats van overheerst te worden.
Zorg voor de armen
Open handen en een mild hart
Als er armen zijn onder de Israëlieten, mogen zij hun hart niet verharden of hun hand sluiten.
God gebiedt:
- Mildelijk de hand openen.
- Voldoende lenen voor de nood.
- Niet berekenen of het sabbatsjaar nabij is als excuus om niet te helpen.
Zegen op vrijgevigheid
Wie mild geeft, zal gezegend worden in al het werk van zijn handen, omdat de armen nooit volledig uit het land zullen verdwijnen. Daarom is vrijgevigheid een voortdurende opdracht.
Vrijlating van Hebreeuwse slaven
Diensttijd en vrijlating
Als een Hebreeuwse man of vrouw als slaaf wordt gekocht, mag hij of zij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar moet men hem vrij laten gaan.
Ruimhartige meegeving bij vrijlating
Bij het vrijlaten van de slaaf mag men hem niet met lege handen wegsturen. Er moet ruimhartig gegeven worden van de kudde, de dorsvloer en de perskuip – als herinnering dat Israël zelf slaaf was in Egypte en door God verlost is.
Keuze om te blijven
Als de slaaf vrijwillig wil blijven vanwege liefde voor zijn meester, wordt het oor met een priem doorboord bij de deur, als teken van blijvende dienstbaarheid.
Eerstgeborenen toewijden
Alle eerstgeboren mannelijke dieren van de kudde en het kleinvee behoren de HEERE toe. Zij moeten zonder gebrek zijn om geofferd te worden.
Zijn ze ongeschikt (mank of blind), dan mogen ze thuis gegeten worden, maar hun bloed mag niet genuttigd worden.
Kernboodschap
Deuteronomium 15 laat zien dat God wil dat Zijn volk vrijgevig, barmhartig en rechtvaardig leeft, in herinnering aan Zijn eigen verlossing.
Het hoofdstuk benadrukt:
- Economische gelijkheid door periodieke kwijtschelding.
- Mededogen voor kwetsbaren.
- Dankbaarheid en vrijgevigheid als levensstijl.
Toepassing vandaag
Hoewel deze wetten in de context van Israël gegeven werden, is de geest van de wet nog steeds relevant:
- Vergeef schulden waar mogelijk.
- Help armen zonder voorbehoud.
- Herinner Gods goedheid en handel daaruit.
- Behandel werknemers rechtvaardig en ruimhartig.
Deuteronomium 15
1 Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.
2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEEREeen vrijlating heeft uitgeroepen.
3 Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;
4 Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, omhetzelve erfelijk te bezitten;
5 Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.
6 Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volkenheersen; maar over u zullen zij niet heersen.
7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven,noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;
8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
9 Wacht u, dat in uw hart geen Belials-woord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, endat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.
10 Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles,waaraan gij uw hand slaat.
11 Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten enaan uw armen in uw land.
12 Wanneer uw broeder, een Hebreer of een Hebreinne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u latengaan.
13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:
14 Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.
15 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zake.
16 Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is;
17 Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.
18 Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God,zegenen in alles, wat gij doen zult.
19 Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde mannelijk, zult gij den HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeidenmet den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren.
20 Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.
21 Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren;
22 In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert,
23 Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.









