
2 Korinthiërs 1 is een warme en pastorale opening van de brief van Paulus. Hij schrijft niet alleen als apostel, maar ook als broeder die weet wat lijden is. Hij benadrukt dat God de bron van alle vertroosting is, en dat Hij Zijn kinderen nabij is in moeilijke tijden. Paulus spreekt openhartig over zijn eigen worstelingen en laat zien dat hoop, gebed en gemeenschap de weg openen naar kracht. Ook verdedigt hij zijn betrouwbaarheid en de oprechtheid van zijn bedoelingen, terwijl hij duidelijk maakt dat alle beloften van God in Christus zekerheid vinden.
De God van alle vertroosting
Paulus opent zijn brief door zichzelf en Timotheüs te noemen en de gemeente te groeten met genade en vrede van God de Vader en van de Heere Jezus Christus. Vervolgens spreekt hij een lofprijzing uit op God, die hij beschrijft als de Vader van barmhartigheden en de God aller vertroosting. Dit toont niet alleen Gods heiligheid, maar vooral Zijn liefdevolle nabijheid.
Paulus benadrukt dat alle vertroosting die hij en zijn medewerkers ontvangen direct uit Gods hand komt. Deze troost heeft een doel: het stelt hen in staat om anderen te bemoedigen en te versterken in hun geloof. Hun eigen lijden is daardoor geen zinloos leed, maar een middel waardoor Gods troost zichtbaar wordt in de gemeente. Paulus maakt duidelijk dat wie Christus volgt, deelt in Zijn lijden, maar ook in Zijn vertroosting.
Door deze boodschap versterkt Paulus het besef dat de gemeente niet alleen staat in haar moeilijkheden. Het lijden van de apostelen is verbonden met het lijden van de gemeente, en de troost die zij ervaren, werkt door in het leven van de gelovigen. Het geloof wordt zo een wederzijdse ondersteuning: de één wordt getroost door Gods Geest, en diezelfde troost wordt doorgegeven aan anderen.
Beproeving en vertrouwen op God
Paulus vertelt openlijk over zijn zware ervaringen in Asia. Hij beschrijft hoe hij zelfs aan zijn eigen leven wanhoopte en geen uitkomst meer zag. Deze woorden zijn aangrijpend, want zij tonen dat zelfs een apostel worstelt met angst en wanhoop. Toch laat Paulus zien dat juist in die hopeloosheid de kracht van God zichtbaar wordt. God verloste hem uit de doodsnood en gaf hem nieuw vertrouwen.
Dit vertrouwen is geen menselijke kracht, maar een vaste zekerheid dat God de Redder is. Paulus benadrukt dat God hen verlost heeft, dat Hij hen blijft verlossen en dat Hij dat ook in de toekomst zal doen. Het is een drievoudige zekerheid die de gelovige mag vasthouden: Gods trouw is niet tijdelijk, maar eeuwig.
Paulus benadrukt ook het belang van de gebeden van de gemeente. Hij ziet hun voorbede als een instrument waardoor Gods hulp zichtbaar werd. Zo laat hij zien dat de verbondenheid in gebed een wezenlijk onderdeel is van de gemeenschap van gelovigen. Door gebed neemt de gemeente deel aan het werk van God in het leven van de apostel. Het leidt tot dankzegging en eer aan God, omdat velen getuigen zijn van de uitkomst die God schenkt.
Paulus’ betrouwbaarheid en Gods beloften
Na deze persoonlijke getuigenissen gaat Paulus in op zijn relatie met de Korinthiërs. Sommigen hadden zijn veranderde reisplannen uitgelegd als een teken van onbetrouwbaarheid. Paulus verdedigt zich door duidelijk te maken dat zijn woord betrouwbaar is, omdat hij spreekt vanuit de trouw van God. Hij is niet iemand die “ja” zegt en tegelijk “nee” bedoelt, maar zijn boodschap is geworteld in Christus, in wie alle beloften van God hun vervulling vinden.
Paulus legt de nadruk op de zekerheid die Christus biedt. In Hem is geen wankel woord, maar een vast fundament. God Zelf heeft Paulus en de gemeente bevestigd in Christus, hen gezalfd en het zegel van de Heilige Geest in hun harten gegeven. Dit is het bewijs van Gods betrouwbaarheid en van de echtheid van het evangelie dat Paulus verkondigt.
Ten slotte benadrukt Paulus dat zijn intenties altijd gericht zijn op het welzijn van de gemeente. Hij wilde hen niet onder druk zetten of overheersen, maar hen dienen in geloof. Zijn uitstel van bezoek was niet ingegeven door gemakzucht of twijfel, maar door zorg en liefde voor hun geestelijk welzijn. Zo laat Paulus zien dat echte geestelijke leiding altijd geworteld is in oprechtheid en liefde, en dat de trouw van God de maatstaf is voor menselijke betrouwbaarheid..
2 Korinthiërs 1
| 1 | Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheelAchaje zijn: |
| 2 | Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. |
| 3 | Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting; |
| 4 | Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelvenvan God vertroost worden. |
| 5 | Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. |
| 6 | Doch hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden, hetwelk wij ook lijden; hetzijdat wij vertroost worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid; |
| 7 | En onze hoop van u is vast, als die weten, dat, gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting. |
| 8 | Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking, die ons in Azie overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onzemacht, alzo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. |
| 9 | Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt; |
| 10 | Die ons uit zo groten dood verlost heeft, en nog verlost; op Welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. |
| 11 | Alzo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velengedaan worde. |
| 12 | Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods,in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden. |
| 13 | Want wij schrijven u geen andere dingen, dan die gij kent, of ook erkent; en ik hoop, dat gij ze ook tot het einde toe erkennen zult; |
| 14 | Gelijkerwijs gij ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt, in den dag van den Heere Jezus. |
| 15 | En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij een tweede genade zoudt hebben; |
| 16 | En door uw stad naar Macedonie gaan, en wederom van Macedonie tot u komen, en van ulieden naar Judea geleid worden. |
| 17 | Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor, hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zou wezen, ja, ja, enneen, neen? |
| 18 | Doch God is getrouw, dat ons woord, hetwelk tot u is geschied, niet is geweest ja en neen. |
| 19 | Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheus, was niet ja en neen, maar is geweest ja inHem. |
| 20 | Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. |
| 21 | Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; |
| 22 | Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven. |
| 23 | Doch ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. |








