Home Bijbel dagelijks Oude Testament 04 Numeri Numeri 31: Wraak op Midian en de oorlogsbuit

Numeri 31: Wraak op Midian en de oorlogsbuit

0
1172
Bijbelse strijd met Mozes in rode mantel, omringd door krijgers, gevangenen en dramatische lucht in romantische schilderstijl.
Een artistieke weergave van Numeri 31, waarin Mozes en het Israëlische leger wraak nemen op de Midianieten, in romantische streetart-stijl.

Numeri 31 beschrijft een militair bevel van God aan Mozes om wraak te nemen op de Midianieten, als laatste daad voor zijn dood. Het hoofdstuk is historisch en moreel complex, en staat centraal in de discussie over goddelijke rechtvaardigheid, heiligheid en menselijke verantwoordelijkheid binnen de context van het oude Israël.

De wraak van de HEERE op Midian

De goddelijke opdracht

Mozes krijgt van de HEERE de opdracht om wraak te nemen op Midian, vanwege hun rol in het verleiden van de Israëlieten tot afgoderij en ontucht (vergelijk Numeri 25). Elke stam levert duizend man, in totaal 12.000 strijders, geleid door Pinehas, de zoon van Eleazar de priester. Hij neemt heilige voorwerpen en signaalinstrumenten mee (Num. 31:6).

De strijd en de overwinning

Het leger van Israël doodt alle Midiaanse mannen, waaronder de vijf koningen van Midian en ook Bileam, de profeet die eerder door Balak was ingehuurd. De Israëlieten nemen vrouwen, kinderen en vee gevangen en brengen een grote buit terug naar het kamp.

Mozes’ reactie op de krijgsgevangenen

Verontwaardiging en zuivering

Mozes wordt boos omdat de soldaten de vrouwen in leven hebben gelaten, juist die vrouwen die Israël tot zonde hadden gebracht. Hij beveelt dat alle mannelijke kinderen en alle vrouwen die seksueel actief zijn, gedood moeten worden. Alleen de meisjes die nog maagd zijn mogen in leven blijven (Num. 31:17-18).

Reinigingsvoorschriften

Zowel de soldaten als de oorlogsbuit worden ritueel gereinigd. De soldaten moeten zeven dagen buiten het kamp blijven en zich op de derde en zevende dag reinigen met het reinigingswater. Ook metalen voorwerpen moeten door vuur gereinigd worden, en andere zaken met water (Num. 31:19-24).

Verdeling van de buit

Eerlijke verdeling en dank

De oorlogsbuit (vee, goud, vrouwen en kinderen) wordt eerlijk verdeeld tussen de strijders en de rest van het volk. Ook wordt een belasting gegeven aan de HEERE: één op de vijfhonderd uit het deel van de strijders gaat naar de priester Eleazar, en één op de vijftig uit het deel van het volk gaat naar de Levieten.

Dankbaarheid van de legerleiders

De legeraanvoerders ontdekken dat er geen enkele Israëliet gestorven is in de strijd en brengen een extra offer van goud als dankgave aan de HEERE.

Theologische duiding

Heilige oorlog en oordeel

Numeri 31 benadrukt de heilige oorlogsidee waarin God zelf initiatief neemt en absolute gehoorzaamheid vereist. Het hoofdstuk onderstreept de ernst van zonde en de noodzaak van morele en rituele zuiverheid binnen het volk Israël.

Ethiek en context

Hoewel hedendaagse lezers worstelen met de gewelddadigheid van dit hoofdstuk, was het in de context van het oude Oosten een uitdrukking van goddelijke gerechtigheid en zuiverheid. Belangrijk is dat Israël als instrument van God handelt, niet als expansionistisch rijk.


Numeri 31

1 En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
2 Neem de wraak der kinderen Israels van de Midianieten; daarna zult gij verzameld worden tot uw volken.
3 Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak des HEEREN te doen aan deMidianieten.
4 Van elken stam onder alle stammen Israels zult gij een duizend ten strijde zenden.
5 Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.
6 En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elken stam, hen en Pinehas, den zoon van Eleazar, den priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten desgeklanks in zijn hand.
7 En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.
8 Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zijmet het zwaard Bileam, den zoon van Beor.
9 Maar de kinderen Israels namen de vrouwen der Midianieten, en hun kinderkens gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen.
10 Voorts al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur.
11 En zij namen al den roof, en al den buit, van mensen en van beesten.
12 Daarna brachten zij de gevangenen, en den buit, en den roof, tot Mozes en tot Eleazar, den priester, en tot de vergadering der kinderen Israels, in het leger, in devlakke velden van Moab, dewelke zijn aan de Jordaan van Jericho.
13 Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten der vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger.
14 En Mozes werd grotelijks vertoornd tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden, die uit den strijd van dienoorlog kwamen.
15 En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven?
16 Ziet, deze waren, door den raad van Bileam, den kinderen Israels, om oorzake der overtreding tegen den HEERE te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaagwerd onder de vergadering des HEEREN.
17 Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens; en doodt alle vrouw, die door bijligging des mans een man bekend heeft.
18 Doch al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging des mans niet bekend hebben, laat voor ulieden leven.
19 En gijlieden, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op den derdendag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uw gevangenen.
20 Ook zult gij alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle geiten haren werk, en gereedschap van hout, ontzondigen.
21 En Eleazar, de priester, zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, die de HEERE Mozes geboden heeft.
22 Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood;
23 Alle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde; evenwel zal het door het water der afzondering ontzondigd worden; maar al wathet vuur niet lijdt, zult gij door het water laten doorgaan.
24 Gij zult ook uw klederen op den zevenden dag wassen, dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen.
25 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
26 Neem op de som van den buit der gevangenen van mensen en van beesten; gij en Eleazar, de priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering.
27 En deel den buit in twee helften tussen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den strijd uitgegaan zijn, en tussen de ganse vergadering.
28 Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit derunderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.
29 Van hun helft zult gij het nemen, en den priester Eleazar geven tot een heffing des HEEREN.
30 Maar van de helft der kinderen Israels zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; engij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel des HEEREN waarnemen.
31 En Mozes, en Eleazar, de priester, deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
32 De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;
33 En twee en zeventig duizend runderen;
34 En een en zestig duizend ezelen;
35 En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.
36 En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.
37 En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.
38 En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.
39 En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.
40 En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.
41 En Mozes gaf Eleazar, den priester, de schatting van de heffing des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
42 En van de helft der kinderen Israels, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden;
43 (Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;
44 En de runderen waren zes en dertig duizend;
45 En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd;
46 En der mensen zielen zestien duizend;)
47 Van die helft der kinderen Israels nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van den tabernakeldes HEEREN waarnamen, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
48 Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden;
49 En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man.
50 Daarom hebben wij een offerande des HEEREN gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring,of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.
51 Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van het goud, alle welgewrochte vaten.
52 En al het goud der heffing, dat zij den HEERE offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden, en van dehoofdlieden der honderden.
53 Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven.
54 Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden, en zij brachten het in de tent der samenkomst, ter gedachtenisvoor de kinderen Israels, voor het aangezicht des HEEREN. en ziet, dezeplaats was een plaats voor vee.