Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 40 Mattheüs Mattheüs 7: Oordelen, vragen en de gouden regel

Mattheüs 7: Oordelen, vragen en de gouden regel

0
1471
Jezus onderwijst een menigte in Mattheüs 7, afgebeeld in barokke streetart-stijl met expressieve gezichten en levendige kleuren.
Barokke streetart-afbeelding van Jezus’ onderricht in Mattheüs 7: oordeel, gebed, en de weg naar het leven.

Mattheüs 7 vormt het slothoofdstuk van de zogenoemde Bergrede (Matteüs 5–7), Jezus’ fundamentele onderricht over het leven in het Koninkrijk van God. In dit hoofdstuk waarschuwt Jezus tegen het hypocriet oordelen van anderen, spoort Hij aan tot volhardend gebed, en benadrukt Hij dat het gehoorzamen aan zijn woorden het ware fundament vormt voor het leven.

Oordeel anderen niet (Mattheüs 7:1–5)

Het hoofdstuk begint met de krachtige oproep: Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt” (vers 1). Jezus legt uit dat wie anderen veroordeelt, zelf onder hetzelfde oordeel zal vallen. De maat die men gebruikt om te oordelen, zal ook op henzelf worden toegepast. Hij bekritiseert hypocrisie: men ziet wel de splinter in het oog van de ander, maar niet de balk in het eigen oog. Alleen wie eerst eigen fouten onder ogen ziet, is in staat anderen oprecht te helpen.

Heilige dingen en onwaardige ontvangers (Mattheüs 7:6)

Jezus zegt: “Geef het heilige niet aan de honden en werp uw parels niet voor de zwijnen”, waarmee Hij waarschuwt om heilige waarheden niet gedachteloos te delen met hen die er verachting voor tonen. Deze uitspraak benadrukt onderscheiding en wijsheid in hoe men het evangelie deelt.

Over gebed en vertrouwen (Mattheüs 7:7–11)

Vervolgens roept Jezus op tot volhardend gebed: Bid en u zal gegeven worden; zoek en u zult vinden; klop en er zal voor u worden opengedaan.” Hij benadrukt dat God, als een goede Vader, zijn kinderen goede gaven geeft, net zoals aardse vaders hun kinderen geen stenen of slangen geven wanneer zij om brood of vis vragen. Deze verzen tonen Gods bereidheid om te antwoorden op oprecht en volhardend gebed.

De Gulden Regel (Mattheüs 7:12)

Jezus vat de essentie van de Wet en de Profeten samen in de zogeheten Gulden Regel:
“Alles wat u wilt dat de mensen voor u doen, doet u dat ook voor hen.”
Deze ethische kernregel vormt een positief geformuleerde richtlijn voor menselijke relaties en geldt als fundament van de christelijke naastenliefde.

De smalle en de brede weg (Mattheüs 7:13–14)

Jezus beschrijft twee wegen: de brede weg die leidt tot het verderf, en de smalle weg die leidt tot het leven. De brede weg is makkelijk en populair, maar eindigt in ondergang. De smalle poort vereist discipline en oprechte toewijding, maar leidt tot het Koninkrijk van God.

Waarschuwing tegen valse profeten (Mattheüs 7:15–20)

Hij waarschuwt voor valse profeten, die als wolven in schaapskleren komen. Hun ware aard zal blijken uit hun vruchten: goede bomen dragen goede vruchten; slechte bomen dragen slechte vruchten. Jezus stelt dat men mensen moet beoordelen op hun daden, niet op hun woorden.

Geen toegang zonder ware navolging (Mattheüs 7:21–23)

Niet iedereen die zegt: “Heer, Heer” zal het Koninkrijk binnengaan, maar alleen wie de wil van God doet. Jezus wijst religieuze schijnheiligheid af en stelt dat veel mensen die indrukwekkende religieuze daden verrichten maar zonder oprechte toewijding, van Hem zullen horen: “Ik heb u nooit gekend.”

Het huis op de rots of het zand (Mattheüs 7:24–27)

Het hoofdstuk eindigt met de bekende gelijkenis van het huis dat gebouwd is op de rots versus het huis op zand. Wie Jezus’ woorden hoort én doet, is als iemand die op een rots bouwt en bestand is tegen stormen. Wie alleen luistert maar niet gehoorzaamt, bouwt op zand en stort bij tegenslag in.

Conclusie (Mattheüs 7:28–29)

De mensen zijn diep onder de indruk van Jezus’ onderricht, want Hij spreekt met autoriteit, in tegenstelling tot de schriftgeleerden.


Mattheüs 7

1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.

2 Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.

3 En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?

4 Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?

5 Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

6 Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, uverscheuren.

7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

8 Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?

10 En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?

11 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die zevan Hem bidden!

12 Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.

13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;

14 Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

15 Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.

16 Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?

17 Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

20 Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.

21 Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.

22 Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam velekrachten gedaan?

23 En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

24 Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;

25 En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is nietgevallen, want het was op de steenrots gegrond.

26 En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;

27 En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen,en zijn val was groot.

28 En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;

29 Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.