Home Bijbel dagelijks Nieuwe Testament 40 Mattheüs Matthëus 25: Waakzaamheid en oordeel in gelijkenissen van Jezus

Matthëus 25: Waakzaamheid en oordeel in gelijkenissen van Jezus

0
1501
Streetart van Jezus met lampdragende vrouwen, een maaiende rechter en twee mannen in een confrontatie over talenten.
Kunstzinnige weergave van de gelijkenissen in Matthëus 25: de wijze maagden, de talenten en het oordeel der volken.

Matthëus 25 vervolgt Jezus’ onderwijs over het Koninkrijk der hemelen. In drie gelijkenissen benadrukt Hij waakzaamheid, trouw en barmhartigheid, die kenmerkend zijn voor wie Hem werkelijk toebehoren. De nadruk ligt op het oordeel en de voorbereiding op Zijn wederkomst.

De gelijkenis van de wijze en dwaze maagden

Jezus vertelt over tien maagden die met lampen uitgaan om de bruidegom te ontmoeten. Vijf zijn wijs en nemen olie mee, vijf zijn dwaas en nemen geen extra olie. Als de bruidegom op zich laat wachten, vallen allen in slaap. Bij zijn komst blijken de dwazen niet voorbereid; hun lampen zijn uit en zij kunnen geen olie lenen. Terwijl ze op zoek zijn naar olie, komt de bruidegom en sluit de deur. De wijzen gaan met Hem in tot de bruiloft. De gelijkenis eindigt met de waarschuwing: “Waakt dan, want gij weet den dag noch de ure niet.”

De gelijkenis van de talenten

Een heer vertrouwt zijn knechten zijn goederen toe: de een krijgt vijf talenten, de ander twee, en een derde één, ieder naar zijn bekwaamheid. De eerste twee knechten handelen met het geld en verdubbelen het. De derde begraaft zijn talent uit angst. Bij de terugkomst van de heer worden de twee ijverige knechten beloond met lof en verantwoordelijkheid over veel, “ga in in de vreugde uws heren”. De lauwe knecht wordt berispt als boos en lui; zijn talent wordt hem ontnomen en hij wordt buitengeworpen, in de buitenste duisternis.

Het oordeel over de volken

Jezus beschrijft het laatste oordeel: de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en zal de volken scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen (de rechtvaardigen) aan Zijn rechterhand worden gezegend en ontvangen het Koninkrijk. Jezus prijst hun daden van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen laven, vreemdelingen herbergen, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. Wat zij aan de geringste van Zijn broeders gedaan hebben, beschouwt Hij als aan Hem gedaan.

De bokken aan Zijn linkerhand worden veroordeeld tot het eeuwige vuur, bereid voor de duivel en zijn engelen. Zij faalden om Jezus te dienen in de nood van hun naasten. Op hun vraag wanneer zij Hem niet geholpen hebben, antwoordt Hij dat wat zij niet aan de minste gedaan hebben, zij ook Hem niet deden.

Conclusie

Matthëus 25 benadrukt dat voorbereiding, trouw aan God en naastenliefde essentieel zijn in het leven van gelovigen. Jezus leert dat niet alleen geloof, maar ook daden, bepalend zijn bij het oordeel. De mens wordt opgeroepen waakzaam te zijn en te leven in gehoorzaamheid aan Gods wil.

Matthëus 25

1 Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.

2 En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.

3 Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.

4 Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.

5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

6 En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!

7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.

8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.

9 Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt vooruzelven.

10 Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.

11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!

12 En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.

13 Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des mensen komen zal.

14 Want het is gelijk een mens, die buiten ‘s lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.

15 En den ene gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.

16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.

17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.

18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.

19 En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.

20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talentenheb ik boven dezelve gewonnen.

21 En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uwsheeren.

22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelvegewonnen.

23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uwsheeren.

24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer, ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderendevan daar, waar gij niet gestrooid hebt;

25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.

26 Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik nietgestrooid heb.

27 Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.

28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.

29 Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dathij heeft.

30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

31 En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.

32 En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.

33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechter hand zetten, maar de bokken tot Zijn linker hand.

34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beerft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van degrondlegging der wereld.

35 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebtMij geherbergd.

36 Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.

37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?

38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?

39 En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?

40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mijgedaan.

41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereidis.

42 Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;

43 Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.

44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in degevangenis, en hebben U niet gediend?

45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.

46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.