
Matthëus 15 gaat over de confrontatie tussen Jezus en de Farizeeën over reinheid, Zijn onderwijs aan de menigte, en enkele wonderen die Hij verricht in niet-Joodse gebieden. Dit hoofdstuk benadrukt het belang van het hart boven uiterlijke rituelen en toont Jezus’ mededogen voor wie oprecht geloven, ongeacht afkomst.
De tradities van mensen tegenover Gods geboden
De Farizeeën en Schriftgeleerden uit Jeruzalem bekritiseren Jezus’ discipelen omdat zij hun handen niet wassen voor het eten, wat ingaat tegen de Joodse overlevering. Jezus antwoordt scherp door hen te wijzen op hun overtreding van Gods geboden door hun menselijke tradities. Hij noemt het voorbeeld van het eren van vader en moeder, dat zij ondermijnen door mensen toe te staan hun hulp aan ouders te omzeilen onder religieus voorwendsel. Jezus citeert Jesaja: “Dit volk nadert tot Mij met hun mond… maar hun hart is verre van Mij.” (vers 8)
Wat reinigt de mens?
Jezus legt aan de menigte uit dat niet wat de mond binnengaat een mens onrein maakt, maar wat eruit komt. Zijn discipelen merken op dat de Farizeeën aanstoot namen aan Zijn woorden. Jezus zegt dat elke plant die Zijn hemelse Vader niet geplant heeft, uitgeroeid zal worden. Hij waarschuwt dat blinden blinden leiden. Petrus vraagt om uitleg, en Jezus verduidelijkt dat eten het lichaam ingaat en weer verlaat, maar dat boze woorden uit het hart komen en dat die dingen de mens onrein maken: moord, overspel, diefstal, lastering, enzovoort.
Het geloof van de Kananese vrouw
Jezus vertrekt naar het gebied van Tyrus en Sidon. Een Kananese vrouw roept om hulp voor haar bezeten dochter. Jezus zwijgt aanvankelijk, en de discipelen willen haar wegsturen. Jezus zegt dat Hij alleen gezonden is tot de verloren schapen van Israël. Maar de vrouw volhardt, knielt en zegt: “Heere, help mij!” Jezus test haar geloof door te zeggen dat het niet goed is het brood der kinderen aan de hondjes te geven. Ze antwoordt: “Ja, Heere, maar ook de hondjes eten van de kruimkens…” Jezus prijst haar geloof en geneest haar dochter op dat moment.
Genezingen en de tweede wonderbare spijziging
Jezus gaat naar de zee van Galilea en geneest velen: lammen, blinden, stommen en anderen. De menigte verwondert zich en verheerlijkt de God van Israël. Daarna merkt Jezus dat de menigte drie dagen bij Hem is zonder eten. Uit medelijden vermenigvuldigt Hij zeven broden en een paar visjes, waarmee Hij vierduizend mannen voedt, plus vrouwen en kinderen. Na het verzamelen van zeven manden overgebleven broodstukken, stuurt Hij hen weg en vertrekt naar het gebied van Magdala.
Mattheüs 15
1 Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeen, die van Jeruzalem waren, zeggende:
2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.
3 Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?
4 Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zaleren, die voldoet.
6 En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.
7 Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
8 Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;
9 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.
10 En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.
11 Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.
12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest?
13 Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.
14 Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.
15 En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.
16 Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?
17 Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?
18 Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.
19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
20 Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.
21 En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.
22 En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van denduivel bezeten.
23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
24 Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.
25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.
27 En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel hunner heren.
28 Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.
29 En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op den berg, en zat daar neder.
30 En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; enHij genas dezelve.
31 Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zijverheerlijkten den God Israels.
32 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij geblevenzijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.
33 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?
34 En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.
35 En Hij gebood den scharen neder te zitten op de aarde.
36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare.
37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.
38 En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
39 En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.








