
Jozua 10 beschrijft hoe God Israël versterkt in een beslissende strijd tegen de vijf Amorietische koningen. Het hoofdstuk toont hoe de HEERE ingrijpt om Zijn beloften aan Jozua te bevestigen en Israël te leiden in de verovering van Kanaän. De gebeurtenissen benadrukken dat Gods trouw en macht bepalend zijn voor de overwinning en bescherming van Zijn volk.
Jozua 10 volgt op het verbond met Gibeon en laat zien hoe de HEERE Israël ondersteunt wanneer vijandelijke legers Gibeon aanvallen. Het hoofdstuk bevat unieke ingrepen van God, zoals het stilzetten van zon en maan (Jozua 10:12-14), en beschrijft de volledige overwinning op de Kanaänitische coalitie.
De aanval op Gibeon en Gods belofte aan Jozua
De coalitie van vijf koningen
Jozua 10 begint met de reactie van Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, die bevreesd werd na het horen van Israëls overwinning op Ai en het verbond met Gibeon (Jozua 10:1-2). Hij smeedt een coalitie met vier andere Amorietische koningen om Gibeon aan te vallen, omdat zij bondgenoten van Israël waren geworden. De dreiging tegen Gibeon werd groot, waardoor de Gibeonieten onmiddellijk om hulp vroegen aan Jozua (Jozua 10:6).
Gods bemoediging
Wanneer Jozua optrekt vanuit Gilgal, spreekt de HEERE tot hem: Vrees hen niet, want Ik heb hen in uw hand gegeven; niemand van hen zal tegen u bestaan (Jozua 10:8). Deze belofte vormt de kern van het hoofdstuk: de overwinning is niet het gevolg van menselijke kracht, maar van Gods leiding en trouw. Jozua vertrekt onmiddellijk met zijn mannen en verrast de vijanden met een nachtelijke mars.
De strijd bij Gibeon en het ingrijpen van de HEERE
De verwarring van de vijanden
Jozua overvalt de Amorieten onverwacht en de HEERE brengt verwarring onder hen (Jozua 10:10). De vijandelijke legers slaan op de vlucht. Terwijl zij vluchten, toont God Zijn macht door grote hagelstenen uit de hemel te laten vallen, waardoor meer vijanden sterven door Gods ingrijpen dan door het zwaard van Israël (Jozua 10:11).
Zon en maan staan stil
Een van de meest bijzondere gebeurtenissen in de Schrift vindt plaats wanneer Jozua bidt dat zon en maan stil blijven staan, opdat Israël de vijanden volledig kan verslaan (Jozua 10:12). De tekst beschrijft dat de zon stilstond tot Israël zich gewroken had op zijn vijanden (Jozua 10:13). Het was een dag waarop de HEERE voor Israël streed, iets wat nergens anders zo beschreven wordt (Jozua 10:14). Deze gebeurtenis onderstreept Gods absolute macht over de schepping.
De vijf koningen verslagen
Vlucht en schuilplaats in de grot
De vijf koningen vluchten naar een grot bij Makkeda en verbergen zich daar (Jozua 10:16). Jozua gebiedt grote stenen voor de ingang te rollen en wachten te plaatsen, zodat Israël het leger verder kan achtervolgen. Na de volledige nederlaag van de vijand brengt Jozua de koningen uit de grot en laat de legerhoofden symbolisch hun voeten op hun nek leggen (Jozua 10:24), als teken dat de HEERE alle vijanden aan Israël heeft onderworpen.
Dood van de koningen
Jozua doodt de koningen, hangt hen aan vijf bomen tot de avond en laat hen daarna in de grot terugleggen, waarvan de ingang opnieuw met stenen wordt afgesloten (Jozua 10:26-27). Deze handeling bevestigt de voltooiing van de overwinning en de rechtspraak die aan de HEERE toebehoort.
De verovering van Zuid-Kanaän
Makkeda en Libna
Na de dood van de koningen verovert Israël Makkeda, waarbij niemand wordt gespaard (Jozua 10:28). Vervolgens trekt Jozua verder naar Libna en neemt ook deze stad in, volgens hetzelfde bevel van de HEERE. Elke overwinning wordt beschreven als onderdeel van Gods opdracht en Israëls gehoorzaamheid.
Lachis, Eglon en Hebron
Jozua verovert ook Lachis, ondanks hulp die de stad ontvangt van Horam, koning van Gezer (Jozua 10:33). Daarna volgen Eglon, Hebron en Debir, telkens volgens dezelfde goddelijke opdracht en met volledige overwinning. Het patroon legt nadruk op een reeks van door God bevestigde overwinningen.
Debir en het hele gebied
De beschrijving toont hoe Jozua heel het zuidelijke gebied van Kanaän inneemt: bergen, laaglanden, valleien en heuvelruggen (Jozua 10:40). Alles geschiedt zoals de HEERE, de God van Israël, geboden heeft. De tekst benadrukt dat Jozua niets nalaat van alles wat de HEERE bevolen heeft.
De terugkeer naar Gilgal
Nadat het hele gebied onderworpen is, keert Jozua terug naar Gilgal (Jozua 10:43), het centrale kamp en geestelijke middelpunt van Israël na de intocht in Kanaän. De terugkeer markeert de afronding van deze fase van de veroveringen.
Conclusie
Jozua 10 laat zien hoe de HEERE krachtig optreedt voor Zijn volk door vijanden te verslaan en beloften waar te maken. De gebeurtenissen tonen dat gehoorzaamheid, vertrouwen en Gods leiding centraal staan in Israëls overwinningen. Dit hoofdstuk bevestigt dat de HEERE de strijd voert, en Jozua en het volk in afhankelijkheid van Hem handelen.
Laatst bijgewerkt op 30-11-2025
Jozua 10
1 Het geschiedde nu, toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning alzogedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israel gemaakt hadden, en in derzelver midden waren;
2 Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.
3 Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis,en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:
4 Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israels.
5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning vanLachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.
6 De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, enhelp ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd.
7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden.
8 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.
9 Alzo kwam Jozua snellijk tot hen; den gansen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.
10 En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israel; en hij sloeg hen met een groten slag te Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naarBeth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
11 Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel,tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen Israels met het zwaard doodden.
12 Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israels overgaf, en zeide voor de ogen der Israelieten:Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!
13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stondstil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
14 En er was geen dag aan dezen gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.
15 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.
16 Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.
17 En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkeda.
18 Zo zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.
19 Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in den staart; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uwhand gegeven.
20 En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israels geeindigd hadden hen met een zeer groten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen,die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren;
21 Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen Israels geroerd.
22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die spelonk.
23 Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koningvan Lachis, den koning van Eglon.
24 En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israel, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hemgetogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.
25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed; want alzo zal de HEERE aan al uw vijanden doen, tegen dewelke gijliedenstrijdt.
26 En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot den avond.
27 En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar zij verborgen geweestwaren; en zij legden grote stenen voor den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelven dag.
28 Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarinwas; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.
29 Toen toog Jozua door, en gans Israel met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.
30 En de HEERE gaf dezelve ook in de hand van Israel, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geenoverigen overblijven; en hij deed derzelver koning, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.
31 Toen toog Jozua voort, en gans Israel met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar.
32 En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israel; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was,naar alles, wat hij aan Libna gedaan had.
33 Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.
34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israel met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.
35 En zij namen haar in ten zelven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hijaan Lachis gedaan had.
36 Daarna toog Jozua op, en gans Israel met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.
37 En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het levenoverblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.
38 Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.
39 En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigenoverblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;
40 Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hijverbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israels, geboden had.
41 En Jozua sloeg hen van Kades-Barnea en tot Gaza toe; ook het ganse land Gosen, en tot Gibeon toe.
42 En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want de HEERE, de God Israels, streed voor Israel.
43 Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.








