Jesaja 6: De roeping van de profeet

0
923

Jesaja 6 behoort tot de meest indrukwekkende en vaak geciteerde hoofdstukken uit het Oude Testament. Het vormt het hart van Jesaja’s roeping als profeet en bevat een krachtige openbaring van Gods heiligheid, majesteit en oordeel. In dit visioen wordt Jesaja geconfronteerd met de heiligheid van de Heere, zijn eigen zondigheid en de noodzaak van reiniging. Tegelijkertijd krijgt hij zijn profetische opdracht: spreken tot een volk dat zal luisteren met oren maar niet verstaan, zien met ogen maar niet begrijpen. Dit hoofdstuk toont de spanning tussen Gods majesteit, het oordeel over zonde, en tegelijk de belofte van hoop en herstel.

Het jaar van koning Uzzia’s dood

Het visioen begint met de tijdsaanduiding: “In het jaar dat de koning Uzzia stierf”. Dit was een belangrijk historisch moment voor Juda. Uzzia had lang geregeerd en was een sterke koning geweest, maar zijn leven eindigde tragisch door zijn hoogmoed en melaatsheid (2 Kronieken 26). Terwijl het volk treurde en onzeker was over de toekomst, kreeg Jesaja een visioen van de ware Koning: de Heere gezeten op een hoge en verheven troon. Hiermee wordt direct duidelijk gemaakt dat Gods heerschappij niet afhankelijk is van menselijke machthebbers.

Het visioen van Gods heiligheid

Jesaja ziet de Heere in de tempel, hoog verheven, met Zijn mantel die de tempel vult. Serafijnen, hemelse wezens met zes vleugels, staan rondom Gods troon. Zij roepen onophoudelijk: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen; de ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid”. Deze drievoudige heiligverklaring benadrukt de absolute en volmaakte heiligheid van God. De tempel beeft en wordt gevuld met rook, een beeld van Gods majesteit en ontoegankelijkheid.

Dit moment laat zien dat ware aanbidding begint met ontzag voor Gods heiligheid. De schepping en de hemelse machten erkennen dat God de enige ware Koning is.

Jesaja’s reactie: besef van schuld

De ontmoeting met de heilige God leidt bij Jesaja tot een diepe overtuiging van zonde. Hij roept uit: “Wee mij! Ik verga, want ik ben een man onrein van lippen, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der heirscharen, gezien”.

Zijn uitroep laat zien dat geen mens onschuldig kan bestaan voor Gods heiligheid. Zelfs een profeet, geroepen om te spreken, belijdt dat zijn lippen onrein zijn. Dit benadrukt dat ieder mens genade nodig heeft.

De reiniging door de seraf

Op dat moment vliegt een van de serafijnen naar Jesaja toe met een gloeiende kool van het altaar. Hij raakt Jesaja’s lippen aan en zegt: “Zie, dit heeft uw lippen aangeraakt; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend”.

Dit tafereel is rijk aan symboliek. Het altaar verwijst naar de plaats van het offer, waar verzoening wordt gebracht. Het aanraken van Jesaja’s lippen maakt hem geschikt om Gods woorden te spreken. Het wijst vooruit naar Christus, die door Zijn offer volkomen verzoening heeft gebracht en ons geschikt maakt om God te dienen.

De roeping van Jesaja

Na deze reiniging klinkt Gods vraag: “Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan?” Jesaja antwoordt bereidwillig: “Zie, hier ben ik, zend mij”.

Dit is een kernmoment in de roepingsgeschiedenis van de Bijbel. Jesaja’s reactie toont de juiste houding van gehoorzaamheid en beschikbaarheid. Eerst wordt hij door God gereinigd, daarna gezonden. Roeping is dus nooit gebaseerd op menselijke kracht, maar altijd op Gods genade en voorbereiding.

De moeilijke opdracht

God geeft Jesaja een schijnbaar ontmoedigende boodschap. Hij moet profeteren tot een volk dat wel hoort maar niet begrijpt, dat wel ziet maar niet inziet. Hun hart zal vet worden, hun oren doof en hun ogen blind. Dit betekent dat Jesaja’s boodschap vaak zal worden verworpen. Toch moet hij blijven spreken, omdat zijn woorden deel uitmaken van Gods oordeel en tegelijk het zaad van hoop voor de toekomst.

Deze passage wordt later in het Nieuwe Testament herhaald, onder meer door Jezus (Mattheüs 13:14-15) en Paulus (Handelingen 28:26-27), om uit te leggen waarom velen de boodschap van het evangelie niet aannemen.

Het perspectief van hoop

Jesaja vraagt hoe lang dit oordeel zal duren. God antwoordt dat steden verwoest zullen worden en het land leeg zal raken. Toch blijft er een “heilig zaad” over – een rest die de wortel van Gods volk zal vormen. Dit wijst vooruit naar de komst van de Messias en het herstel van Israël.

Het thema van het “heilig overblijfsel” loopt als een rode draad door Jesaja heen. Ondanks oordeel blijft Gods genade aanwezig.

Betekenis voor ons vandaag

Jesaja 6 leert ons drie kernwaarheden die ook voor vandaag van belang zijn:

  • Gods heiligheid: ware aanbidding begint met ontzag voor Gods majesteit.
  • Ons tekort: niemand kan standhouden voor God zonder Zijn vergeving.
  • Onze roeping: ieder die door God is aangeraakt, wordt geroepen om Zijn boodschap uit te dragen, ook als deze niet populair is.

Het hoofdstuk daagt ons uit om net als Jesaja te zeggen: “Hier ben ik, zend mij.”


Jesaja 6

1 In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.

2 De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.

3 En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!

4 Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook.

5 Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.

6 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.

7 En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.

8 Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.

9 Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.

10 Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.

11 Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde.

12 Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.

13 Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.