Jesaja 28 vormt een kernhoofdstuk in het profetisch boek van Jesaja. Het is een ernstige en poëtische aanklacht tegen het noordelijke koninkrijk Israël (Efraïm) en de leiders van Juda, die zich hadden overgegeven aan hoogmoed, dronkenschap en ongeloof. Tegelijk bevat het een van de krachtigste Messiaanse beloften in het Oude Testament: de aankondiging van de “kostelijke hoeksteen in Sion”. Dit hoofdstuk toont hoe God oordeelt, maar ook hoe Hij een fundament van redding legt voor wie op Hem vertrouwt.
De trots van Efraïm en de komende ondergang
Het hoofdstuk opent met de woorden:
“Wee de hovaardige kroon der dronkenen van Efraïm.”
(Efraïm stond symbool voor het noordelijke rijk Israël.) De profeet beschrijft het volk als bedwelmd door wijn en trots — niet enkel letterlijk dronken, maar geestelijk verdoofd. Hun leiders, die geroepen waren tot wijsheid en rechtspraak, zijn verstrikt in hun eigen overmoed. Ze dragen een “kroon van hoogmoed”, een beeld van menselijke eer en welvaart, maar die kroon zal spoedig afvallen als een verwelkende bloem.
God kondigt een oordeel aan:
“Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, gelijk een hagelvloed, een poort des verderfs.”
De profeet beschrijft de komende verwoesting door Assyrië als een storm van water en hagel die alles wegvaagt. De “kroon der dronkenen” zal met voeten vertreden worden. Wat het volk als trots sierde, wordt vernietigd.
Een overblijfsel zal de Heere tot kroon zijn
Temidden van dit oordeel schittert een belofte:
“Te dien dage zal de HEERE der heirscharen tot een heerlijke kroon zijn en tot een sierlijke krans voor het overblijfsel Zijns volks.”
(vers 5)
Terwijl menselijke eer vervaagt, wordt God Zelf de ware glorie van Zijn getrouwen. In deze verzen ligt een diepe geestelijke waarheid: wie zich niet beroemt op menselijke macht, maar op de Heere, vindt in Hem wijsheid, kracht en recht. De rechtvaardige rechters, geleid door Gods Geest, zullen zich onderscheiden van de corrupte leiders van hun tijd.
Het oordeel over de leiders van Juda
Vanaf vers 7 richt Jesaja zijn blik op Juda, en in het bijzonder op Jeruzalem. Ook zij zijn niet beter:
“Zij dwalen door wijn, en door sterke drank gaan zij buiten het rechte.”
Zelfs priesters en profeten, geroepen om het volk te onderwijzen, zijn beneveld. Ze bespotten Jesaja’s waarschuwingen en zeggen:
“Wie wil hij leren kennis geven? Zijn wij kinderen pas gespeend van de melk?”
Zij beschouwen Gods woord als kinderlijk, als herhaling van eenvoudige regels — “regel op regel, gebod op gebod”.
In hun ogen was Jesaja te eenvoudig, te moralistisch. Maar juist in hun verachting ligt hun val. God zal Zijn boodschap niet langer op zachte toon herhalen, maar via vreemde tongen laten klinken — een verwijzing naar de buitenlandse overheersers (Assyrië en later Babylon). Wat zij niet wilden horen uit genade, zullen zij horen in oordeel.
Het verbond met de dood
Een schokkend beeld volgt in vers 15:
“Omdat gij zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met de hel hebben wij een verdrag gesloten…”
De leiders van Juda denken dat zij hun veiligheid hebben verzekerd door politieke allianties, vooral met Egypte. In hun ogen biedt diplomatie bescherming tegen Assyrië. Jesaja ontmaskert dit cynisme als een “verbond met de dood” — een dodelijke illusie. Zij vertrouwen liever op leugen en macht dan op Gods belofte.
God antwoordt met kracht:
“Ziet, Ik leg in Sion een grondsteen, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.”
(vers 16)
Dit is een van de diepste profetische uitspraken in de Bijbel. De “hoeksteen” symboliseert de Messias, de vaste grond waarop ware redding rust. Wie op Hem vertrouwt, zal niet haasten of wankelen. Het Nieuwe Testament herhaalt dit vers meermaals (Romeinen 9:33, 1 Petrus 2:6) en past het rechtstreeks toe op Jezus Christus.
De toevlucht van leugen zal wegvagen
De profeet vervolgt met krachtige beelden: hagel en vloed zullen de toevlucht van leugen wegspoelen. Alle menselijke zekerheid wordt vernietigd. Het zogenaamde verbond met de dood zal “te niet worden”.
Jesaja beschrijft het oordeel als een overvloeiende gesel — een golf die het land overspoelt, “bij dag en bij nacht”. Het volk zal de boodschap horen, maar enkel in beroering. Zelfs het bed waarop zij rust zochten, zal te kort zijn, en het deksel te smal — een poëtische manier om te zeggen dat hun zelfgemaakte veiligheid ontoereikend is.
De Heere Zelf zal opstaan “zoals op de berg Perazim” en handelen “zoals in het dal van Gibeon” — verwijzingen naar oude veldslagen waarin God op wonderlijke wijze tussenbeide kwam. Maar ditmaal richt Zijn macht zich tegen Zijn eigen volk, om hun valse vertrouwen te breken. Zijn werk is vreemd, Zijn daad is vreemd — want oordelen is niet Gods vreugde, maar Zijn noodzakelijke gerechtigheid.
De gelijkenis van de landman
Vanaf vers 23 verandert de toon van het hoofdstuk. Jesaja sluit af met een korte gelijkenis, vol agrarische beelden. Hij beschrijft de boer die zijn land ploegt, zaait, dorst en maalt. Elk gewas wordt op eigen wijze behandeld:
“Men dorst de wikken niet met de dorswagen… men slaat ze uit met een staf.”
De boer weet precies hoe hij met elk gewas moet omgaan — en dat inzicht komt van God.
De les is duidelijk: zoals de landman wijs te werk gaat, zo handelt ook God met wijsheid in Zijn oordeel. Zijn tucht is nooit willekeurig of eindeloos. Hij weet hoe Hij Zijn volk moet ploegen, breken en reinigen, opdat er vrucht voortkomt.
Het slotvers (vers 29) vat dit samen:
“Zulks komt voort van de HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.”
Theologische betekenis
Jesaja 28 laat de spanning zien tussen menselijke dwaasheid en goddelijke wijsheid. De leiders van Israël en Juda zoeken zekerheid in macht, wijn en diplomatie. Maar God stelt een ander fundament: geloof. De hoeksteen in Sion is de enige vaste grond waarop ware rust te vinden is.
De “verbond met de dood” weerspiegelt het menselijke vertrouwen op wereldse systemen, terwijl de “hoeksteen” de goddelijke redding symboliseert. Deze tegenstelling loopt als een rode draad door de hele Bijbel: van Babel tot Golgotha, van menselijke torens tot het kruis van Christus.
Toepassing en boodschap
Jesaja 28 spreekt niet alleen tot een oud volk, maar tot elke generatie. Het roept op tot nederigheid en vertrouwen.
- Tegen hoogmoed: wie zich beroemt op menselijke kennis of macht, bouwt op zand.
- Tegen geestelijke dronkenschap: wie verdoofd leeft door comfort of zelfgenoegzaamheid, hoort Gods stem niet meer.
- Tot geloof: wie zijn leven op de hoeksteen bouwt — Christus — zal niet beschaamd worden.
Gods werk kan soms pijnlijk zijn, zoals het ploegen van een veld. Maar het doel is altijd vrucht, herstel en vrede. Achter Zijn oordelen schuilt een diep plan van genade.
Samenvatting
Jesaja 28 is zowel waarschuwing als evangelie in profetische vorm. Het toont de ondergang van hoogmoedige volken, de leegte van menselijke allianties, en de zekerheid van Gods plan.
Temidden van oordeel legt God een fundament in Sion — een beeld van eeuwige stabiliteit en verlossing in Christus.
Wie gelooft, zal niet haasten.
Wie bouwt op de Steen, zal staan wanneer de storm komt.
Jesaja 28
1 Wee de hovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, welker heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn.
2 Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.
3 De hovaardige kronen der dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden.
4 En de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor den zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op.
5 Te dien dage zal de HEERE der heirscharen tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn den overgeblevenen Zijns volks;
6 En tot een Geest des oordeels dien, die ten oordeel zit, en tot een sterkte dengenen, die den strijd afkeren tot de poort toe.
7 En ook dwalen dezen van den wijn, en zij dolen van den sterken drank; de priester en de profeet dwalen van den sterken drank; zij zijn verslonden van den wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezicht; zij waggelen in het gericht.
8 Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van drek, zodat er geen plaats schoon is.
9 Wien zou Hij dan de kennis leren, en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten?
10 Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig.
11 Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;
12 Tot dewelken Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft den moeden rust, en dit is de verkwikking; doch zij hebben niet willen horen.
13 Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.
14 Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!
15 Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.
16 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.
17 En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.
18 En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden.
19 Van den tijd af, als hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, want allen morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal geschieden, dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal.
20 Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.
21 Want de HEERE zal Zich opmaken, gelijk op den berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!
22 Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.
23 Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
24 Ploegt de ploeger den gehelen dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land den gehelen dag?
25 Is het niet alzo? Wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst, of spelt, elk aan zijn plaats.
26 En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.
27 Want men dorst de wikken niet met den dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;
28 Het brood koren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden.
29 Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.









