Home Bijbel dagelijks Oude Testament 24 Jeremia Jeremia 39: De val van Jeruzalem en Gods trouw

Jeremia 39: De val van Jeruzalem en Gods trouw

0
1041
De val van Jeruzalem met koning Zedekia’s gevangenneming en Gods bescherming van Jeremia in een bijbelse scène vol emotie.
Koning Zedekia gevangen, Jeremia beschermd – het vervulde oordeel over Juda.

Jeremia 39 beschrijft het moment waarop de profetieën van de profeet Jeremia werkelijkheid worden. De stad Jeruzalem valt in handen van de Babyloniërs, en koning Zedekia wordt gevangengenomen. Het hoofdstuk toont het rechtvaardige oordeel van God over Juda’s ongehoorzaamheid, maar ook Zijn trouw aan Zijn belofte om Jeremia te beschermen. Ondanks de verwoesting blijft er een boodschap van hoop voor wie vertrouwt op de HEERE.

De belegering van Jeruzalem (Jeremia 39:1-2)

In het negende jaar van koning Zedekia begon Nebukadnezar, de koning van Babel, Jeruzalem te belegeren. De belegering duurde tot het elfde jaar van Zedekia. In de vierde maand, op de negende dag, werd de stadsmuur doorbroken. Het volk van Juda was verzwakt door honger en angst, want het oordeel van God was gekomen zoals Jeremia had voorzegd.

De intocht van de bevelhebbers (Jeremia 39:3)

Toen de muur viel, trokken de bevelhebbers van de koning van Babel de stad binnen en zetten zich neer in de Middenpoort. Onder hen waren Nergal-Sarezer, Samgar-Nebo, Sarsechim en Nergal-Sarezer de rabsaris. Hun aanwezigheid symboliseerde dat Babel nu het gezag over Jeruzalem had. De stad die God had uitgekozen als Zijn woonplaats was nu in vijandige handen gevallen.

De vlucht van koning Zedekia (Jeremia 39:4-5)

Toen koning Zedekia en zijn soldaten dit zagen, vluchtten zij in de nacht uit de stad. Zij verlieten Jeruzalem via de tuin van de koning, door de poort tussen twee muren, en gingen richting de vlakte. Het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen echter en haalde Zedekia in op de vlakten van Jericho. Daar werd hij gevangengenomen en voor koning Nebukadnezar gebracht, die in Ribla verbleef in het land van Hamath.

Het oordeel over Zedekia (Jeremia 39:6-7)

Nebukadnezar sprak recht over Zedekia. Voor zijn ogen liet hij de zonen van Zedekia doden, evenals alle edelen van Juda. Daarna werden Zedekia’s ogen uitgestoken, en men bond hem met koperen ketenen om hem naar Babel te brengen. Zo werd de profetie vervuld dat hij Babel zou zien maar niet Jeruzalem. Zijn lot werd een teken van Gods oordeel over ongehoorzaamheid.

De verwoesting van Jeruzalem (Jeremia 39:8-10)

De Chaldeeën verbrandden het huis van de HEERE, het koninklijk paleis en alle huizen van de stad. De muren van Jeruzalem werden afgebroken. Nebuzaradan, de overste van de lijfwacht, voerde het volk dat overgebleven was in de stad, evenals de overlopers en de rest van de bevolking, weg naar Babel. Slechts de armsten van het land bleven achter om wijngaarden en akkers te verzorgen.

Zo werd Jeremia’s waarschuwing werkelijkheid: ongehoorzaamheid aan God leidt tot ondergang, maar zelfs in het oordeel liet Hij een overblijfsel achter.

Gods zorg voor Jeremia (Jeremia 39:11-12)

Koning Nebukadnezar gaf bevel aan Nebuzaradan om goed te handelen met Jeremia. Hij moest hem niet kwaad doen, maar precies doen wat hij zelf goed achtte. Zo werd Jeremia bevrijd van gevangenschap en kreeg hij de vrijheid om te wonen waar hij wilde. Deze bescherming was de vervulling van Gods belofte dat Hij Zijn dienaar zou bewaren te midden van oordeel en verwoesting.

Jeremia’s vrijlating (Jeremia 39:13-14)

Nebuzaradan en de andere bevelhebbers stuurden Jeremia uit de gevangenhof en droegen hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, om hem naar huis te brengen. Jeremia bleef wonen te midden van het volk dat in Juda was achtergebleven. Terwijl velen in ballingschap gingen, bleef de profeet, als teken van hoop, in het land. Hij had het oordeel aangekondigd, maar ook de belofte van herstel.

Ebed-Melech beloond (Jeremia 39:15-18)

Nog voor de val van de stad had de HEERE tot Jeremia gesproken over Ebed-Melech, de Ethiopiër. Deze man had Jeremia eerder uit de modderput gered en daarmee zijn leven gewaagd. God beloofde hem dat hij gespaard zou blijven wanneer Jeruzalem zou vallen.

De HEERE zei dat Ebed-Melech niet zou sterven door het zwaard, maar zijn leven tot buit zou hebben, omdat hij op de HEERE vertrouwd had. Deze belofte werd vervuld, en zijn geloof werd gezegend.

Ebed-Melech is een voorbeeld van hoe persoonlijke trouw aan God bescherming brengt, zelfs in tijden van nationaal oordeel. Zijn geloof was sterker dan zijn angst, en zijn barmhartigheid werd beloond.

De vervulling van Gods woord

Jeremia 39 is de historische bevestiging dat het woord van God nooit faalt. Wat Hij door Zijn profeten spreekt, gebeurt onvermijdelijk. De val van Jeruzalem was niet slechts een militair feit, maar het gevolg van jarenlange ongehoorzaamheid. Toch bleef de HEERE trouw aan degenen die op Hem vertrouwden: Jeremia, Ebed-Melech en het kleine overblijfsel dat in Juda mocht blijven.

Het hoofdstuk herinnert eraan dat God rechtvaardig oordeelt, maar ook barmhartig blijft. Zelfs in het donkerste uur biedt Hij bescherming aan wie Hem vrezen.

Geloofsboodschap

Jeremia 39 laat zien dat gehoorzaamheid aan God leven brengt, terwijl afwijzing van Zijn woorden tot vernietiging leidt. Zedekia vertrouwde op menselijke kracht, maar Jeremia vertrouwde op Gods voorzienigheid. De les is dat ware veiligheid niet ligt in muren of macht, maar in geloof en gehoorzaamheid aan de HEERE.

Wie op Hem vertrouwt, zal nooit teleurgesteld worden. Zelfs wanneer de wereld om ons heen instort, blijft Gods woord staan als een vaste rots.

Samenvattende conclusie

Jeremia 39 is een hoofdstuk van oordeel, vervulling en genade. De val van Jeruzalem toont Gods rechtvaardigheid; de redding van Jeremia en Ebed-Melech toont Zijn genade. Het is een oproep tot geloof, gehoorzaamheid en vertrouwen in Gods trouw, ook in tijden van crisis.

Wie leeft naar Zijn wil, zal veilig zijn onder Zijn bescherming. Zo bevestigt dit hoofdstuk dat de HEERE regeert, dat Zijn woord vaststaat, en dat Hij rechtvaardig én genadig is voor wie Hem vreest.


Jeremia 39

1 In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar.

2 In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op den negenden der maand, werd de stad doorgebroken.

3 En alle vorsten des konings van Babel togen henen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-sarezer Samgar-nebu, Sarsechim Rab-saris, Nergal-sarezer Rab-mag, en al de overige vorsten des konings van Babel.

4 En het geschiedde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.

5 Doch het heir der Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, den koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.

6 En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda.

7 En hij verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.

8 En de Chaldeeën verbrandden het huis des konings en de huizen des volks met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af.

9 Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige des volks, die overgebleven waren, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel.

10 Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzaradan, de overste der trawanten, enigen overig in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.

11 Maar van Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan, den overste der trawanten, zeggende:

12 Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzo met hem.

13 Zo zond Nebuzaradan, de overste der trawanten, mitsgaders Nebuschazban Rab-saris en Nergal-sarezer Rab-mag, en al de oversten des konings van Babel;

14 Zij zonden dan henen en namen Jeremia uit het voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dat hij hem henen uitbracht naar huis; alzo bleef hij in het midden des volks.

15 Het woord des HEEREN was ook tot Jeremia geschied, als hij in het voorhof der bewaring besloten was, zeggende:

16 Ga henen, en spreek tot Ebed-melech, den Moorman, zeggende: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal Mijn woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen te dien dage voor uw aangezicht zijn.

17 Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de HEERE; en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen, voor welker aangezicht gij vreest.

18 Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE.