
Genesis 22 is een van de meest aangrijpende hoofdstukken in de Bijbel en draait om het geloof en de gehoorzaamheid van Abraham. Hier volgt een samenvatting in ongeveer 500 woorden:
God stelt Abraham op de proef door Hem te vragen zijn zoon Izak te offeren. Izak, de langverwachte zoon van Abraham en Sara, is het kind door wie Gods beloften vervuld zouden worden. Desondanks gehoorzaamt Abraham zonder aarzeling. God zegt tegen hem: “Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij lieft, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer.”
Abraham staat de volgende ochtend vroeg op, zadelt zijn ezel, neemt twee knechten mee en Izak, en vertrekt naar de plaats die God hem zal wijzen. Onderweg draagt Izak het hout voor het brandoffer, terwijl Abraham het vuur en het mes meeneemt. Izak merkt op dat er hout en vuur zijn, maar geen offerdier, en hij vraagt zijn vader waar het lam is. Abraham antwoordt profetisch: “God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon.”
Wanneer zij op de berg Moria aankomen, bouwt Abraham een altaar, legt het hout erop, bindt zijn zoon Izak en legt hem op het altaar. Net op het moment dat Abraham zijn hand uitstrekt om zijn zoon te slachten, roept de Engel van de HEERE vanuit de hemel en zegt: “Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt.” Abraham slaagt voor de test: hij heeft getoond dat hij God meer vertrouwt en gehoorzaamt dan dat hij vasthoudt aan zijn eigen begrip of zelfs zijn geliefde zoon.
In plaats van Izak wordt een ram, die met zijn horens verstrikt is in de struiken, door Abraham geofferd. Abraham noemt deze plaats “De HEERE zal het voorzien” (Jehovah-Jireh). Dit is een verwijzing naar Gods voorzienigheid en trouw in het moment van nood. Tot op de dag van vandaag is dat een naam die hoop en vertrouwen uitdrukt.
Daarna herhaalt God Zijn belofte aan Abraham met nog grotere kracht: omdat Abraham God gehoorzaam was en zijn zoon niet heeft achtergehouden, zal God zijn nageslacht zeer talrijk maken, “als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee.” Verder belooft God dat Abrahams nageslacht de poorten van hun vijanden zal bezitten en dat in zijn zaad alle volken van de aarde gezegend zullen worden.
Abraham keert terug met zijn knechten naar Berseba, en daar woont hij. Het hoofdstuk sluit af met een kort overzicht van de familie van Abrahams broer Nahor, waaruit blijkt dat Rebekka, de toekomstige vrouw van Izak, is geboren.
Genesis 22 laat zien hoe diep het vertrouwen van Abraham in God is en benadrukt Gods voorzienigheid. Het hoofdstuk wordt ook gezien als een voorafschaduwing van het offer van Jezus Christus: een vader die zijn geliefde zoon offert op een berg, maar God voorziet in een plaatsvervangend offer.
Genesis 22
1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tothem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naarhet land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen,dien Ik u zeggen zal.
3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam tweevan zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot hetbrandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.
4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.
5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongenzullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot uwederkeren.
6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hijnam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.
7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie,hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lamtot het brandoffer?
8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijnzoon! Zo gingen zij beiden samen.
9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaareen altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op hetaltaar boven op het hout.
10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.
11 Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham,Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nuweet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebtonthouden.
13 Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in deverwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, enofferde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats.
14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien!Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal hetvoorzien worden!
15 Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel;
16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaakgedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als desterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zalde poorten zijner vijanden erfelijk bezitten.
18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijnstem gehoorzaam geweest zijt.
19 Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zijgingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba.
20 En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende:Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard:
21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuel, de vader van Aram,
22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
23 (En Bethuel gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broedervan Abraham.
24 En zijn bijwijf, welker naam was Reuma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham,en Tahas, en Maacha.








