
Exodus 26 beschrijft de instructies die God via Mozes geeft voor het vervaardigen van de tabernakel: de heilige tent waarin God onder zijn volk zou wonen tijdens de tocht door de woestijn. Dit hoofdstuk bevat nauwkeurige richtlijnen voor het maken van het tentdoek, de overdekking, de houten wanden, de verbindingsmiddelen, en het gordijn dat het Heilige van het Heilige der Heiligen scheidt. Elk detail weerspiegelt de zorgvuldigheid waarmee de plaats van ontmoeting tussen God en Israël moest worden ingericht.
Het tabernakeldoek (vers 1–6)
Het hoofdstuk begint met instructies voor het maken van het binnenste tentdoek van de tabernakel. Er moesten tien lappen van fijn linnen geweven worden, versierd met blauwe, paarse en karmozijnrode draden en afbeeldingen van cherubs. Deze lappen moesten aan elkaar worden gezet met lussen van blauw garen en gouden haken, zodat er één geheel ontstond. De afmetingen en het materiaal symboliseren schoonheid en heiligheid.
De overdekking van geitenhaar (vers 7–14)
Als bescherming boven het linnen tentdoek kwam een tweede laag van geitenhaar, bestaande uit elf grotere lappen. Ook deze moesten op een specifieke manier worden samengevoegd. Vervolgens moesten daarbovenop nog twee extra afdekkingen komen: één van roodgeverfd ramsvel en daaroverheen een laag van zeehondenvellen (of een ander sterk dierlijk materiaal), bedoeld als weerbestendige buitenlaag.
De wanden van acaciahout (vers 15–30)
De structuur van de tabernakel bestond uit staande planken van acaciahout, elk voorzien van twee pinnen aan de onderzijde die in zilveren voetstukken rustten. De wanden moesten aan drie zijden van de tent worden geplaatst: noord, zuid en west. Aan de oostzijde bleef een opening vrij voor de ingang. De planken werden met dwarsbalken aan elkaar bevestigd, en een centrale balk liep door ringen over de hele lengte, waardoor het geheel stevig verbonden was.
Het voorhangsel (vers 31–33)
Binnen in de tabernakel moest een voorhangsel (gordijn) worden opgehangen van blauw, purper en scharlaken rood garen, eveneens met cherubijnen erop. Dit gordijn diende als scheiding tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen, de ruimte waar de ark van het verbond stond. Het gordijn moest aan vier gouden haken aan zuilen van acaciahout hangen.
De ingang van de tent (vers 36–37)
Tot slot wordt beschreven hoe de ingang van de tabernakel eruit moest zien. Hiervoor moest een gordijn worden gemaakt van geborduurd linnen in dezelfde kleuren als het binnenste doek. Dit werd opgehangen aan vijf houten zuilen met bronzen voetstukken en gouden kapiteels en haken. Deze toegang leidde naar het Heilige gedeelte van de tabernakel.
Slotopmerking
Exodus 26 toont hoe nauwgezet en heilig de tabernakel moest worden ingericht, als tijdelijke verblijfplaats van God te midden van Israël. Elk onderdeel had een functie én symbolische betekenis, waarmee het volk herinnerd werd aan de heiligheid van hun God en de noodzaak van zuiverheid en orde in hun omgang met Hem.
Exodus 26
1 |
Den tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, enhemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkstewerk zult gij ze maken. |
2 |
De lengte van een gordijn zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte energordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen een maat hebben. |
3 |
Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere; wederom zullener vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere. |
4 |
En gij zult hemelsblauwe striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, aanhet uiterste, in de samenvoeging; alzo zult gij ook doen aan den uitersten kant dergordijn, aan de tweede samenvoegende. |
5 |
Vijftig striklisjes zult gij aan de ene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult gijmaken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; dezestriklisjes zullen het ene aan het andere samenvatten. |
6 |
Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, deene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij. |
7 |
Ook zult gij gordijnen uit geiten haar maken tot een tent over den tabernakel; vanelf gordijnen zult gij die maken. |
8 |
De lengte ener gordijn zal dertig ellen zijn, en de breedte ener gordijn vier ellen;deze elf gordijnen zullen een maat hebben. |
9 |
En gij zult vijf dezer gordijnen aan elkander bijzonder voegen, en zes dezergordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, rechtvoorop de tent. |
10 |
En gij zult vijftig striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, het uiterste inde samenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweedesamenvoegende is. |
11 |
Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklisjesdoen, en gij zult de tent samenvoegen, dat zij een zij. |
12 |
Het overige nu, dat overschiet aan de gordijnen der tent, de helft der gordijn, dieoverschiet, zal overhangen, aan de achterste delen des tabernakels. |
13 |
En een el van deze, en een el van gene zijde van hetgeen, dat overig zijn zal aande lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijden des tabernakels,aan deze en aan gene zijde, om dien te bedekken. |
14 |
Gij zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, endaarover een deksel van dassenvellen. |
15 |
Gij zult ook tot den tabernakel staande berderen maken van sittimhout. |
16 |
De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedtevan elk berd zijn. |
17 |
Twee houvasten zal een berd hebben, als sporten in een ladder gezet, het enenevens het andere; alzo zult gij het met al de berderen des tabernakels maken. |
18 |
En de berderen tot den tabernakel zult gij aldus maken; twintig berderen naar dezuidzijde zuidwaarts. |
19 |
Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig berderen; twee voetenonder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd,aan zijn twee houvasten. |
20 |
Er zullen ook twintig berderen zijn aan de andere zijde des tabernakels, aan dennoorderhoek, |
21 |
Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voetenonder een ander berd. |
22 |
Doch aan de zijde des tabernakels tegen het westen zult gij zes berderen maken. |
23 |
Ook zult gij twee berderen maken tot de hoekberderen des tabernakels, aan debeide zijden. |
24 |
En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook alstweelingen aan het oppereinde deszelven samengevoegd zijn, met een ring; alzozal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn. |
25 |
Alzo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten;twee voeten onder een berd, wederom twee voeten onder een berd. |
26 |
Gij zult ook richelen maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de ene zijdedes tabernakels; |
27 |
En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijfrichelen aan de berderen van de zijde des tabernakels, aan de beide zijdenwestwaarts. |
28 |
En de middelste richel zal midden aan de berderen zijn, doorschietende van hetene einde tot het andere einde. |
29 |
En gij zult de berderen met goud overtrekken, en hun ringen (de plaatsen voor derichelen) zult gij van goud maken; de richelen zult gij ook met goud overtrekken. |
30 |
Dan zult gij den tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op den berg getoondis. |
31 |
Daarna zult gij een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken,en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men dien maken, metcherubim. |
32 |
En gij zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hunhaken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten. |
33 |
En gij zult den voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenisaldaar binnen den voorhang brengen; en deze voorhang zal ulieden een scheidingmaken tussen het heilige, en tussen het heilige der heiligen. |
34 |
En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis, in het heilige derheiligen. |
35 |
De tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, en den kandelaar tegen de tafelover, aan de ene zijde des tabernakels, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zettenaan de noordzijde. |
36 |
Gij zult ook aan de deur der tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper,en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. |
37 |
En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en die met goudovertrekken; hun haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voetengieten. |








