In Deuteronomium 27 geeft Mozes, namens God, het volk Israël duidelijke instructies voordat ze het Beloofde Land binnengaan. Ze moeten een plechtige hernieuwing van het verbond uitvoeren. Daarbij worden stenen opgericht, de wet opgeschreven en offers gebracht. Deze handelingen zijn bedoeld als bevestiging dat Israël trouw zal blijven aan de HEERE.
Inscriptie op stenen: De wet voor het oog van het volk
Mozes beveelt dat, zodra het volk de Jordaan is overgestoken en Kanaän binnengetrokken, zij grote stenen moeten oprichten op de berg Ebal. Deze stenen moeten zorgvuldig worden gepleisterd met kalk en vervolgens beschreven worden met “al de woorden van deze wet” (vers 3).
Het doel hiervan is dat iedereen — huidige en toekomstige generaties — de wet kunnen lezen en herinneren. Het is een zichtbaar en blijvend teken van het verbond tussen God en Zijn volk. Door de stenen in het land van de belofte op te richten, erkent Israël dat het land niet zomaar eigendom is, maar een erfenis die verbonden is aan gehoorzaamheid aan Gods geboden.
Altaar van onbehouwen stenen: De kern van de eredienst
Naast de stenen met de wet moet er een altaar worden gebouwd op dezelfde plek. God instrueert dat het altaar niet gemaakt mag zijn van gehouwen steen (vers 5-6). Dit detail is belangrijk. Het herinnert aan eerdere geboden (zoals in Exodus 20:25) waaruit blijkt dat God eenvoud en toewijding boven menselijke kunstvaardigheid stelt als het gaat om aanbidding.
Dit altaar dient voor het brengen van brandoffers en vredeoffers. Het brandoffer symboliseert volledige toewijding aan God, terwijl het vredeoffer een maaltijd is die blijdschap en gemeenschap uitdrukt. Deuteronomium 27:7 benadrukt dat het volk daar moet “eten en vrolijk zijn voor het aangezicht van de HEERE uw God” — een vreugdevolle erkenning van Gods zegen.
Zes stammen op Gerizim, zes op Ebal
Het hoofdstuk krijgt een krachtige wending wanneer Mozes beschrijft dat het volk zich zal verdelen over twee bergen: zes stammen op de berg Gerizim (voor de zegen) en zes op de berg Ebal (voor de vloek). De Levieten zullen in het dal tussen de bergen staan en de woorden uitspreken van de vloek — waarop het hele volk telkens “Amen” zal antwoorden (vers 14-26).
Gerizim en Ebal vormen samen een liturgische ruimte. De bergen worden symbolisch gebruikt om het volk te laten kiezen tussen leven en dood, zegen en vloek — een thema dat door heel Deuteronomium heen geweven is. Het feit dat de zegen niet uitgesproken wordt in dit hoofdstuk (maar elders wordt genoemd, zoals in Deuteronomium 28), geeft extra gewicht aan de waarschuwingen.
De twaalf vloeken: Morele en sociale richtlijnen
De twaalf vloeken die worden uitgesproken, raken aan fundamentele morele principes. Ze omvatten:
- Afgoderij (vers 15)
- Eerbied voor ouders (vers 16)
- Respect voor eigendomsgrenzen (vers 17)
- Rechtvaardigheid voor de zwakken (vers 18-19)
- Seksuele reinheid (vers 20-23)
- Integriteit in het rechtsproces (vers 24-25)
- En ten slotte, algemene gehoorzaamheid aan de wet (vers 26)
Iedere vloek eindigt met het woord “Amen”, een bevestiging van het volk dat ze instemmen met deze levenswijze. Dit herhaalde ‘Amen’ is geen leeg ritueel; het is een liturgisch antwoord dat verbintenis symboliseert.
Deze verzen maken duidelijk dat de zegen van God niet komt door louter nationaliteit of afkomst, maar door gehoorzaamheid en rechtvaardig leven.
Samenvattend beeld: Verbond en verantwoordelijkheid
Deuteronomium 27 is geen geïsoleerd hoofdstuk, maar een overgangsmoment. Het is een liturgisch ritueel dat herinnert aan het verbond op de Sinaï en vooruitwijst naar het leven in het land Kanaän.
Wat hier opvalt, is de combinatie van:
- Openbare belijdenis (stenen met de wet)
- Offer en gemeenschap (altaar en maaltijd)
- Collectieve verantwoording (het “Amen” van het volk)
Deze elementen samen vormen de kern van Bijbelse godsdienst: woord, eredienst en gehoorzaamheid.
Dit hoofdstuk roept ook ons op tot zichtbare, concrete toewijding. De belijdenis van geloof is niet abstract. Zoals de Israëlieten stenen moesten beschrijven en offers brengen, worden wij geroepen om met ons hele leven — lichaam, geest, en gemeenschap — God te dienen.
Slotgedachte
Deuteronomium 27 is een indringende herinnering dat het verbond met God een keuze vraagt: tussen zegen en vloek, tussen leven en dood. Het is een hoofdstuk dat oproept tot hernieuwing van geloof, gehoorzaamheid, en vreugdevolle toewijding.
Deuteronomium 27
1 En Mozes, te zamen met de oudsten van Israel, gebood het volk, zeggende: Behoudt al deze geboden, die ik ulieden heden gebiede.
2 Het zal dan geschieden, ten dage als gij over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal, zo zult gij u grote stenen oprichten, enbestrijken ze met kalk;
3 En gij zult daarop schrijven alle woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, een land vloeiendevan melk en honig, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft.
4 Het zal dan geschieden, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn, dat gij dezelve stenen, van dewelke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult zemet kalk bestrijken;
5 En gij zult aldaar den HEERE, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; gij zult geen ijzer over hetzelve bewegen.
6 Van gehele stenen zult gij het altaar des HEEREN, uws Gods, bouwen, en gij zult den HEERE, uw God, brandofferen daarop offeren.
7 Ook zult gij dankofferen offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods.
8 En gij zult op deze stenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uitdrukkende.
9 Voorts sprak Mozes, te zamen met de Levietische priesteren, tot gans Israel, zeggende: Luistert toe en hoort o Israel! Op dezen dag zijt gij den HEERE, uw God, toteen volk geworden.
10 Daarom zult gij der stem des HEEREN, uws Gods, gehoorzaam zijn, en gij zult doen Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede.
11 En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende:
12 Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, enBenjamin.
13 En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.
14 En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israel, met verhevene stem:
15 Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des HEEREN, een werk van ‘s werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene!En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
16 Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.
17 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.
18 Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.
19 Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.
20 Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.
21 Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
22 Vervloekt zij, die bij zijn zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder! En al het volk zal zeggen: Amen.
23 Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen.
24 Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen.
25 Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel, het bloed eens onschuldigen, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen.
26 Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen.









