
2 Samuël 2 opent met een periode van overgang, waarin David na het overlijden van Saul zoekt naar Gods leiding om Israël te dienen. In dit hoofdstuk (2 Samuël 2) wordt beschreven hoe Juda hem tot koning maakt, terwijl Isboseth door Abner over de overige stammen wordt ingesteld. Deze tweedeling vormt het begin van spanningen die het land langdurig zullen tekenen.
De gebeurtenissen tonen hoe menselijke ambities botsen met Gods weg, en hoe David ondanks politieke druk vasthoudt aan afhankelijkheid van de HEERE. Het hoofdstuk laat zien hoe kwetsbaar leiderschap is wanneer trouw, familiebanden en macht elkaar raken.
De weg naar Davids koningschap
David vraagt naar Gods wil (2 Samuël 2:1-2)
David zoekt eerst de HEERE om te weten waar hij heen moet na Sauls dood. Hij krijgt het antwoord om naar Hebron te gaan, een stad met diepe verbondenheid aan de geschiedenis van het volk. Deze keuze toont Davids houding van gehoorzaamheid, omdat hij niet vertrouwt op zijn eigen inzicht maar op de leiding van God. De verplaatsing naar Juda vormt het begin van zijn openbare regering.
David wordt koning over Juda (2 Samuël 2:3-4)
In Hebron zalft het huis van Juda David tot koning. Deze zalving bevestigt de eerdere belofte in 1 Samuël 16:13 en maakt duidelijk dat Davids koningschap geen menselijke ambitie is, maar een goddelijke roeping. Toch wordt hij slechts over een deel van Israël erkend, waardoor een periode van verdeeldheid ontstaat. Juda’s erkenning is een eerste stap, nog zonder de volledige eenheid die hij later zal ontvangen.
David eert de mannen van Jabes (2 Samuël 2:5-7)
David stuurt een boodschap van zegen naar de mannen van Jabes-Gilead omdat zij Saul eervol hebben begraven. Zijn woorden getuigen van respect voor de vorige koning en tonen zijn verlangen naar vrede. Hij moedigt hen aan om standvastig te blijven en belooft hen goed te doen. Deze houding onderstreept Davids karakter van nederigheid en zijn bereidheid om bruggen te bouwen in een tijd van politieke spanning.
Isboseths koningschap over het noorden
Abners beslissing en de nieuwe rivaliteit (2 Samuël 2:8-10)
Abner, de machtige legerbevelhebber van Saul, stelt Isboseth, een zoon van Saul, in als koning over de overige stammen. Dit besluit is meer politiek dan geestelijk, omdat Abner vooral zijn eigen invloed wil behouden. Isboseth wordt een koning zonder sterke basis. Zijn heerschappij duurt twee jaar, terwijl David zeven jaar regeert over Juda. De twee koningen staan symbool voor een land dat innerlijk verdeeld is.
De groeiende kloof tussen beide huizen (2 Samuël 2:10-11)
Terwijl David trouw wacht op Gods tijd, probeert Isboseth zijn positie te behouden door menselijk overwicht. De kloof tussen de stammen wordt zichtbaar doordat beide leiders hun eigen weg volgen. De Schrift laat zien hoe verdeeldheid ontstaat wanneer mensen vertrouwen op eigen plannen in plaats van op Gods leiding. Dit vormt de achtergrond voor het conflict dat volgt.
De strijd bij de vijver van Gibeon
Een ontmoeting die tot strijd leidt (2 Samuël 2:12-14)
Abner en Joab, de legeraanvoerders van de twee partijen, ontmoeten elkaar bij de vijver van Gibeon. Wat begint als een ontmoeting eindigt in een voorstel dat tot escalatie leidt. De jonge mannen van beide zijden worden tegenover elkaar gezet, wat resulteert in wederzijdse doodslag. Deze tragische gebeurtenis toont hoe snel rivaliteit kan uitlopen op onnodig geweld.
De gevechten tussen de legers (2 Samuël 2:15-17)
De strijd die volgt, wordt fel en bloedig. Juda blijkt sterker dan Israël onder Abner, wat het verloop van Davids opkomst verder bevestigt. Het verlies onder Abner is groot, wat spanningen vergroot en een cyclus van vergelding op gang brengt. De tekst benadrukt hoe broedertwist verwoestende gevolgen heeft wanneer het volk niet zoekt naar vrede.
Asaël en Abner
Asaëls achtervolging (2 Samuël 2:18-21)
Asaël, de snelle broer van Joab en Abisaï, zet de achtervolging op Abner in. Abner waarschuwt hem meerdere keren om af te zien van het gevecht, omdat hij weet dat het dodelijk kan aflopen. De waarschuwingen tonen dat Abner niet uit is op onnodig bloedvergieten, ondanks zijn rol in de strijd.
De dood van Asaël (2 Samuël 2:22-23)
Asaël luistert niet en blijft Abner achtervolgen. Abner stoot hem met de achterkant van zijn speer neer, waardoor Asaël omkomt. Dit voorval vormt het begin van een diepe persoonlijke wrok tussen Joab en Abner. De dood van Asaël wordt een bron van langdurige conflicten, die pas later in de geschiedenis van David zijn uitwerking krijgt.
De reactie van Joab en Abisaï (2 Samuël 2:24-26)
De broers achtervolgen Abner verder, maar bij de heuvel van Amma roept Abner hen op om de strijd te stoppen. Zijn woorden wijzen op het nutteloze van voortdurende broedertwist. Joab ziet uiteindelijk in dat verdergaan alleen maar meer leed zal brengen. Deze ontmoeting vormt een moment van tijdelijke onderbreking van het geweld.
De terugtocht en de verliezen
Abner trekt zich terug (2 Samuël 2:27-29)
Joab blaast de bazuin en de strijd komt tot rust. Abner en zijn mannen trekken door de Jordaan terug naar Mahanaïm. Deze terugtocht laat zien dat niemand voordeel heeft bij voortdurende gevechten, en dat zelfs tegenstanders soms inzien dat vrede beter is dan bloedvergieten.
De balans van de strijd (2 Samuël 2:30-32)
De mannen van Joab tellen hun verliezen: negentien mensen plus Asaël. Abner heeft een veel groter verlies te dragen. De mannen van Juda brengen Asaël naar Bethlehem om hem te begraven. Deze afsluiting van het hoofdstuk laat de pijn achter die broedertwist veroorzaakt. Het conflict tussen de huizen van Saul en David is nog niet voorbij, maar dit hoofdstuk benadrukt de noodzaak van verzoening en de hoop op een toekomstige eenheid die later onder Davids koningschap zichtbaar zal worden.
Conclusie
2 Samuël 2 beschrijft de overgangsperiode waarin David zijn eerste stappen zet als koning van Juda, terwijl Isboseth over het noordelijke rijk wordt aangesteld. Het hoofdstuk toont de spanning tussen goddelijke leiding en menselijke macht, en hoe broedertwist leidt tot leed. De gebeurtenissen vormen de aanloop naar de toekomstige eenwording onder David, waarin Gods belofte steeds zichtbaarder wordt.
Laatst bijgewerkt op 01-12-2025
2 Samuël 2
1 En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. EnDavid zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
2 Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.
3 Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
4 Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn demannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
5 Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uwheer, aan Saul, en hebt hem begraven.
6 Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
7 En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
8 Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
9 En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.
10 Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden Davidna.
11 Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
12 Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.
13 Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde desvijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
14 En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
15 Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
16 En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaatsChelkath-Hazurim, die bij Gibeon is.
17 En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.
18 Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn.
19 En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan.
20 Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.
21 En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde nietafwijken van achter hem.
22 Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen vooruw broeder Joab?
23 Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, enstierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
24 Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg derwoestijn van Gibeon.
25 En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.
26 Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volkniet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?
27 En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, eeniegelijk van zijn broeder te vervolgen!
28 Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israel niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.
29 Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, enkwamen tot Mahanaim.
30 Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.
31 Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.
32 En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het lichtaanbrak te Hebron.








