
2 Koningen 9 opent met de goddelijke opdracht aan de profeet Elisa om Jehu tot koning over Israël te zalven, zodat het oordeel over het huis van Achab voltrokken wordt. Het hoofdstuk beschrijft de gebeurtenissen die volgen: de zalving, de snelle machtswisseling en de vervulling van vroegere profetieën. De kern draait om recht, gehoorzaamheid en Gods bestuur.
Jehu voert met vastberadenheid uit wat God door Zijn profeten heeft aangekondigd. De ondergang van Joram, Achazja en Izebel markeert een beslissend moment in de geschiedenis van Israël, waarin ongehoorzaamheid en afgoderij zwaar worden geoordeeld.
De zalving van Jehu (2 Koningen 9:1-13)
De opdracht van Elisa
Elisa geeft een jonge profeet de opdracht Jehu te zalven. De profeet moet naar Ramoth-Gilead gaan, waar Jehu zich als legercommandant bevindt. Hij moet Jehu afzonderlijk nemen, hem tot koning zalven en hem Gods woorden doorgeven. Deze opdracht onderstreept dat het oordeel over Achab onafwendbaar is (1 Koningen 21:21-24).
De zalving zelf
De jonge profeet voert de opdracht nauwkeurig uit. Hij scheidt Jehu van de overige bevelhebbers, giet olie over zijn hoofd en verklaart dat de HEERE hem heeft aangewezen als koning over Israël. Daarbij verkondigt hij het oordeel over het huis van Achab en over Izebel. Na het uitspreken van de profetie vlucht hij, zoals Elisa had gezegd.
Reactie van de legerofficieren
De bevelhebbers vragen Jehu wat er gebeurd is. Wanneer hij vertelt dat hij tot koning is gezalfd, erkennen zij dit direct. Zij leggen hun mantels op de trappen en blazen op de bazuin. Deze daad markeert de onmiddellijke aanvaarding van zijn koningschap. Het besluit om zijn zalving te steunen geeft de voortgang die nodig is voor de uitvoering van Gods plan.
De val van koning Joram (2 Koningen 9:14-29)
Jehu’s strategie
Jehu besluit dat niemand Ramoth-Gilead mag verlaten om Joram te waarschuwen. Hij rijdt snel naar Jizreël, waar Joram herstellende is van verwondingen die hij had opgelopen in de strijd tegen de Syriërs. Deze zorgvuldige aanpak zorgt ervoor dat Joram wordt verrast.
De ontmoeting op het veld van Naboth
Wachters melden de komst van Jehu. Joram stuurt boden, maar alle boden voegen zich bij Jehu. Uiteindelijk gaat Joram zelf, samen met Achazja, koning van Juda, naar Jehu toe. Zij ontmoeten elkaar op het veld van Naboth, de plaats waar Achab onrecht had gepleegd door Naboth te laten doden (1 Koningen 21:15-19).
Wanneer Joram vraagt of het vrede is, antwoordt Jehu dat er geen vrede kan zijn zolang de afgoderij en toverijen van Izebel voortduren. Joram keert om en vlucht, maar Jehu treft hem met een pijl die hem dodelijk verwondt. Hij laat Jorams lichaam op het veld van Naboth werpen, waarmee de profetie wordt vervuld.
De dood van Achazja
Achazja vlucht richting Megiddo, maar Jehu’s mannen achtervolgen hem. Achazja wordt gewond, weet nog tot Megiddo te komen, maar sterft daar. Ook dit past in het oordeel dat uitgesproken was over het huis van Achab, omdat Achazja door familiebanden aan Achab verbonden was.
Het oordeel over Izebel (2 Koningen 9:30-37)
Izebels houding
Wanneer Jehu Jizreël nadert, hoort Izebel dit. Ze maakt zich op, schildert haar ogen en siert haar hoofd. Deze handeling kan gezien worden als een poging om waardigheid te tonen of invloed uit te oefenen, maar het verandert niets aan het besluit van God.
Confrontatie met Jehu
Izebel spreekt Jehu toe vanuit het raam en vergelijkt hem met Zimri, die eveneens een koning had gedood. Jehu vraagt wie met hem is. Enkele hovelingen werpen Izebel uit het raam. Ze valt neer en sterft doordat paarden haar vertrappen.
De vervulling van de profetie
Jehu geeft bevel haar te begraven omdat zij een koningsdochter is. Maar wanneer men haar lichaam wil vinden, blijken er slechts delen over te zijn. Honden hebben de rest verslonden, zoals Elisa had aangekondigd (1 Koningen 21:23). Haar naam blijft verbonden met afgoderij en verleiding, en haar einde wordt een teken van de ernst van Gods oordeel.
Theologische lijnen in 2 Koningen 9
God vervult Zijn woord
Het hele hoofdstuk benadrukt dat Gods woord, eenmaal uitgesproken, zeker vervuld wordt. De profetieën door Elia en Elisa komen precies uit. Deze zekerheid laat zien dat God regeert over koningen en volken.
Leiderschap en verantwoordelijkheid
Jehu wordt als instrument gebruikt om het oordeel over Achab te voltrekken. Zijn daadkracht toont de ernst van het bevel. Tegelijkertijd laat de geschiedenis zien dat macht alleen veilig is wanneer zij verbonden blijft aan gehoorzaamheid aan de HEERE.
Het gevaar van afgoderij
Achab en Izebel hadden Israël verleid tot afgoderij. De gebeurtenissen in dit hoofdstuk tonen dat afwijken van Gods weg diepe gevolgen heeft. Het oordeel is zwaar, maar rechtvaardig en aangekondigd.
De heiligheid van God
2 Koningen 9 toont een God die niet onverschillig blijft tegenover kwaad. Hij is lankmoedig maar laat onrecht niet eeuwig voortgaan. Zijn oordeel is een oproep tot zuiverheid en trouw aan Zijn verbond.
Conclusie
2 Koningen 9 beschrijft de overgang van macht in Israël en de vervulling van profetieën over Achab en Izebel. Het hoofdstuk legt nadruk op gehoorzaamheid, recht en de heiligheid van Gods woord. De gebeurtenissen tonen dat God Zijn beloften waarmaakt en dat afgoderij gevolgen heeft voor volk en leiders. Jehu speelt hierin een centrale rol als uitvoerder van goddelijk oordeel.
Laatst bijgewerkt op 04-12-2025
2 Koningen 9
1 Toen riep de profeet Elisa een van de zonen der profeten, en hij zeide tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth inGilead.
2 Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en brenghem in een binnenste kamer.
3 En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt de HEERE: Ik heb u tot koning gezalfd over Israel. Doe daarna de deur open, en vlied, en vertoefniet.
4 Zo ging de jongeling, die jongeling van den profeet, naar Ramoth in Gilead.
5 En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het heir, en hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zeide: Tot wien van ons allen? En hijzeide: Tot u, o hoofdman!
6 Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u gezalfd tot koning over het volkdes HEEREN, over Israel.
7 En gij zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten des HEEREN, wreke van de handvan Izebel.
8 En het ganse huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israel.
9 Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en als het huis van Baesa, den zoon van Ahia.
10 Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreel, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vlood.
11 En als Jehu uitging tot de knechten zijns heren, zeide men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot hen: Gij kent den man enzijn spraak.
12 Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zeide: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik heb u gezalfd totkoning over Israel.
13 Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed, en legde het onder hem, op den hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!
14 Alzo maakte Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israel, uit oorzakevan Hazael, den koning van Syrie;
15 Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreel helen liet van de slagen, die hem de Syriers geslagen hadden, als hij streed tegen Hazael, denkoning van Syrie.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreel te gaan verkondigen.
16 Toen reed Jehu, en toog naar Jizreel; want Joram lag aldaar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.
17 De wachter nu stond op den toren te Jizreel, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zenddien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?
18 En de ruiter te paard toog heen hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achtermij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder.
19 Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede tedoen? Keer om achter mij.
20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van Nimsi,want hij drijft onzinniglijk.
21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israel, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zijtogen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreeliet.
22 Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haartoverijen zo vele zijn?
23 Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!
24 Maar Jehu spande den boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.
25 Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreeliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijnvader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last oplegde, zeggende:
26 Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijner zonen, zegt de HEERE, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt de HEERE. Nudan, neem, werp hem op dat stuk land, naar het woord des HEEREN.
27 Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op denwagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.
28 En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids.
29 In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda.
30 En Jehu kwam te Jizreel. Als Izebel dat hoorde, zo blankette zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.
31 Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, doodslager van zijn heer?
32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.
33 En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertradhaar.
34 Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is eens konings dochter.
35 En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen harer handen.
36 Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen, en hij zeide: Dit is het woord des HEEREN, dat Hij gesproken heeft door den dienst van Zijn knecht Elia, denThisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreel zullen de honden het vlees van Izebel eten.
37 En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreel, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel. 2 Koningen 10








