
2 Koningen 15 beschrijft in den beginnen een periode van snelle troonswisselingen in Israël en Juda, waarin koningen kort regeren en vaak afwijken van Gods weg. De hoofdstukken tonen hoe politieke instabiliteit samengaat met geestelijke vervreemding, terwijl Gods gerechtigheid blijft gelden. De vertelling benadrukt verantwoordelijkheid, gehoorzaamheid en de gevolgen van ongehoorzaamheid.
De inhoud laat zien hoe Uzzia in Juda lang regeert maar door ongehoorzaamheid wordt getroffen, terwijl Israël meerdere heersers verliest door intriges en geweld. Het geheel vormt een ernstige herinnering dat ware standvastigheid voortkomt uit trouw aan Gods geboden.
Regering van Azaria (Uzzia) in Juda
Uzzia’s langdurige regering
Azaria, ook bekend als Uzzia, begint te regeren op zestienjarige leeftijd en blijft meer dan vijftig jaar koning van Juda. Zijn bewind wordt kenmerken door stabiliteit en groei, vergelijkbaar met eerdere perioden waarin trouw aan de HERE werd benadrukt. Hij doet wat recht is in Gods ogen, overeenkomstig Psalm 119:2, maar laat de offerhoogten bestaan. Dit toont hoe gehoorzaamheid gedeeltelijk kan zijn, waarbij uiterlijke trouw soms tekortschiet in de diepte van het hart.
De straf van melaatsheid
Uzzia wordt getroffen met melaatsheid omdat hij het heiligdom binnenging om te reukofferen, wat uitsluitend was voorbehouden aan de priesters volgens de wet van Mozes (Leviticus 10:1-3). Deze afwijking markeert een belangrijk theologisch punt: God duldt geen vermenging van koninklijk en priesterlijk gezag. Uzzia leeft vervolgens afgezonderd, terwijl zijn zoon Jotham bestuurlijke taken overneemt. De situatie weerspiegelt hoe ongehoorzaamheid zelfs tijdens een sterke regering ernstige gevolgen heeft.
De overgang naar Jotham
Aan het einde van Uzzia’s leven wordt duidelijk dat het volk hem respecteert, maar tevens begrijpt waarom zijn afzondering noodzakelijk was. De tekst benadrukt dat elke leider rekenschap moet afleggen voor God, zoals ook blijkt in 1 Samuël 12:24. Jotham wordt voorbereid als opvolger, waardoor een rustige overgang ontstaat ondanks Uzzia’s persoonlijke nederlaag.
Koningen van Israël tijdens een tijd van instabiliteit
Zacharia’s korte regering
Zacharia, zoon van Jerobeam II, regeert slechts zes maanden. Zijn regering breekt met de lange en welvarende periode van zijn vader en wordt abrupt beëindigd door zijn moord. Zijn ondergang vervult het woord des HEREN tot Jehu dat zijn nakomelingen tot het vierde geslacht op de troon zouden zitten (2 Koningen 10:30). De gebeurtenissen onderstrepen Gods trouw in zowel oordeel als belofte.
Sallum en de snelle machtswisseling
Sallum doodt Zacharia en neemt de troon, maar regeert slechts één maand voordat hij zelf door Menahem wordt gedood. Deze korte sequentie van leiders laat zien hoe ver Israël is afgedwaald, waarbij geweld de plaats inneemt van gerechtigheid. Het doet denken aan Spreuken 29:2 waar staat dat onrechtvaardige heersers het volk neerdrukken.
Menahem en zijn harde beleid
Menahem regeert tien jaar en staat bekend om zijn wreedheid. Hij onderdrukt tegenstanders op brute wijze en probeert zijn macht te behouden door financiële afhankelijkheid van Assyrië. Hij betaalt een zware schatting aan Pul, de koning van Assyrië, wat een begin markeert van toenemende buitenlandse overheersing. De tekst laat zien hoe vertrouwen op menselijke machten leidt tot kwetsbaarheid in plaats van veiligheid, in contrast met Jesaja 31:1.
Pekahia en zijn gewelddadige einde
Pekahia, zoon van Menahem, volgt hem op maar regeert slechts twee jaar. Ook hij wordt gedood door een samenzwering, geleid door Pekah, een van zijn officieren. Deze voortdurende cyclus van verraad toont hoe het geestelijke verval van Israël direct samenhangt met de politieke ontwrichting.
Regering van Pekah
Pekah regeert twintig jaar, maar zijn periode wordt gekenmerkt door de agressieve inmenging van Assyrië. Grote delen van het noordelijke rijk worden weggevoerd, waaronder gebieden van Naftali en Gilead. Dit is een voorbode van de uiteindelijke wegvoering van Israël (2 Koningen 17:6). Het volk ondergaat de gevolgen van structurele ongehoorzaamheid aan de HERE, zoals eerder aangekondigd in Deuteronomium 28.
Hoshea en het einde van een tijdperk
Hoshea komt door een complot aan de macht nadat hij Pekah doodt. Zijn regering markeert de laatste fase voor de val van Samaria. Hoewel 2 Koningen 15 zijn periode slechts kort bespreekt, is duidelijk dat het noordelijke rijk in verval raakt en nauwelijks nog weerstand kan bieden aan buitenlandse druk. De geestelijke leegte werkt door in elke vorm van leiderschap.
Theologische betekenis van de gebeurtenissen
Gedeeltelijke gehoorzaamheid en de gevolgen
Het hoofdstuk maakt voortdurend duidelijk dat zowel Juda als Israël worstelen met gedeeltelijke gehoorzaamheid. Hoewel Uzzia goed begint, struikelt hij door hoogmoed. De koningen van Israël volgen de zonden van Jerobeam, ondanks herhaalde waarschuwingen. Dit laat zien dat uiterlijk succes geen blijvende waarde heeft zonder innerlijke toewijding aan Gods geboden.
De rol van Gods gerechtigheid
Gods handelen blijft zichtbaar in elke regeringswisseling. Beloften worden vervuld, zowel in zegen als in oordeel. De moord op Zacharia vervult Gods woord, terwijl de buitenlandse druk op Israël een consequentie vormt van herhaalde ongehoorzaamheid. De HERE toont Zijn heiligheid door leiders verantwoordelijk te houden, ongeacht hun positie.
Hoop in tijden van verval
Ondanks de ernst van het hoofdstuk blijft er hoop, omdat God Zijn verbond met Juda niet loslaat. De lange regering van Uzzia laat zien dat trouw nog steeds mogelijk is, terwijl Jotham’s opkomst laat merken dat God zorg draagt voor een doorlopende lijn. Zelfs in de chaos van Israël blijkt dat God de geschiedenis bestuurt en Zijn woord steeds waar maakt.
Conclusie
2 Koningen 15 toont hoe gehoorzaamheid, leiderschap en Gods gerechtigheid onlosmakelijk verbonden zijn. Juda behoudt stabiliteit door Uzzia’s inzet, maar wordt toch geconfronteerd met zijn misstap. Israël valt steeds verder uiteen door geweld en afvalligheid. Het geheel vormt een oproep tot vertrouwen, nederigheid en volharding in Gods weg.
Laatst bijgewerkt op 05-12-2025
2 Koningen 15
1 In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.
2 Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
3 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.
4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
5 En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was overhet huis, richtende het volk des lands.
6 Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
7 En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
8 In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.
9 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, dieIsrael zondigen deed.
10 En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
11 Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
12 Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzogeschied.
13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
14 Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning inzijn plaats.
15 Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
16 Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haarbevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
17 In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.
18 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
19 Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk inzijn hand te sterken.
20 Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerdede koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
21 Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
22 Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.
23 In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.
24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
25 En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob enmet Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.
26 Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
27 In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.
28 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
29 In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, enGilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.
30 En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in hettwintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
31 Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
32 In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.
33 Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
34 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.
35 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
36 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
37 In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.
38 En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.








