Richteren 2 laat zien hoe Israël ongehoorzaam wordt aan Gods gebod om de volken van Kanaän weg te doen (Richteren 2:1-3). De Engel van de HEERE herinnert aan Gods verlossing uit Egypte en aan Zijn verbond, terwijl het volk zijn eigen weg kiest en andere goden dient.
De gevolgen worden zichtbaar in verdrukkingen door omringende volken (Richteren 2:14-15). Toch brengt de HEERE verlossing door richteren die het volk leiden en beschermen (Richteren 2:16-18), terwijl andere volken blijven bestaan om Israël te beproeven (Richteren 2:20-23).
De Engel van de HEERE in Bochim
De aanklacht van de HEERE (Richteren 2:1-3)
Richteren 2:1 geeft weer dat de Engel van de HEERE vanuit Gilgal naar Bochim komt en Israël herinnert aan Gods trouw. Richteren 2:2 verklaart dat Israël het bevel om altaren van andere goden omver te werpen niet uitvoerde. Richteren 2:3 maakt duidelijk dat de inwoners van het land tot een hindernis zullen zijn en hun goden tot verleiding.
Het verdriet van het volk (Richteren 2:4-5)
Richteren 2:4 laat horen dat het volk weent na de woorden van de Engel. In Richteren 2:5 brengen zij offers aan de HEERE en krijgt de plaats de naam Bochim.
De tijd na Jozua
De trouw tijdens Jozua’s leven (Richteren 2:6-7)
Richteren 2:6 beschrijft dat Israël op zijn erfdeel woont. Richteren 2:7 toont dat het volk de HEERE dient zolang Jozua leeft en zolang de oudsten leven die Gods grote daden kennen.
Jozua’s overlijden (Richteren 2:8-9)
Richteren 2:8 vermeldt dat Jozua sterft op de leeftijd van honderd en tien jaar. In Richteren 2:9 wordt zijn begrafenis vermeld in Timnath-Heres, op het gebergte van Efraïm.
Een nieuwe generatie zonder kennis van de HEERE (Richteren 2:10)
Richteren 2:10 geeft aan dat een nieuwe generatie opstaat die de HEERE niet kent en de daden van de HEERE niet in herinnering houdt.
Afwijken van de weg van de HEERE
Baäl en Astartes (Richteren 2:11-13)
Richteren 2:11 toont dat Israël doet wat kwaad is in de ogen van de HEERE en de Baäls dient. Richteren 2:12 beschrijft hoe het volk de HEERE verlaat en andere goden volgt. Richteren 2:13 maakt duidelijk dat zij Astartes dienen.
Verdrukking door vijanden (Richteren 2:14-15)
Richteren 2:14 laat zien dat de HEERE Israël overgeeft in de hand van rovers en vijanden. Richteren 2:15 verklaart dat de hand van de HEERE tegen hen is overal waar zij heengaan, overeenkomstig Zijn waarschuwingen.
De richteren als middel van verlossing
De HEERE verwekt richteren (Richteren 2:16-18)
Richteren 2:16 vertelt dat de HEERE richteren verwekt om Israël te verlossen uit de hand van onderdrukkers. Richteren 2:17 laat zien dat het volk naar vreemde goden blijft gaan en niet luistert. Richteren 2:18 benadrukt dat de HEERE met de richter is en dat Hij Zich ontfermt wanneer het volk in benauwdheid komt.
Het terugvallen in ongehoorzaamheid (Richteren 2:19)
Richteren 2:19 beschrijft dat het volk na de dood van een richter terugkeert tot verkeerde wegen en hardnekkiger wordt in het dienen van afgoden.
Overgebleven volken als beproeving
De reden voor hun aanwezigheid (Richteren 2:20-22)
Richteren 2:20 verklaart dat de toorn van de HEERE ontbrandt omdat Israël Zijn verbond niet houdt. Richteren 2:21 laat weten dat de HEERE de volken niet langer zal verdrijven. Richteren 2:22 geeft aan dat zij blijven om Israël te toetsen.
De volken blijven bestaan (Richteren 2:23)
Richteren 2:23 zegt dat de HEERE de volken laat blijven en hen niet onmiddellijk aan Israël overgeeft.
Conclusie
Richteren 2 geeft een beeld van ongehoorzaamheid, verdrukking en verlossing. Israëls keuze voor afgoderij leidt tot moeilijkheden terwijl de HEERE steeds opnieuw richteren verwekt om te redden. De volken die blijven bestaan vormen een blijvende toets voor de trouw van Israël.
Laatst bijgewerkt op 24-11-2025
Richteren 2
1 En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uwvaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid.
2 En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaamgeweest; waarom hebt gij dit gedaan?
3 Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
4 En het geschiedde, als de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.
5 Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den HEERE.
6 Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.
7 En het volk diende den HEERE, al de dagen van Jozua, en al de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk desHEEREN, dat Hij aan Israel gedaan had.
8 Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde;
9 En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Heres, op een berg van Efraim, tegen het noorden van den berg Gaas;
10 En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat den HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hijaan Israel gedaan had.
11 Toen deden de kinderen Israels, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Baals.
12 En zij verlieten den HEERE, hunner vaderen God, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondomhen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten den HEERE tot toorn.
13 Want zij verlieten den HEERE, en dienden de Baal en Astharoth.
14 Zo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij gaf hen in de hand der rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand hunner vijanden rondom;en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden.
15 Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE gezworen had; enhun was zeer bang.
16 En de HEERE verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
17 Doch zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van den weg, dien hun vadersgewandeld hadden, horende de geboden des HEEREN; alzo deden zij niet.
18 En wanneer de HEERE hun richteren verwekte, zo was de HEERE met den richter, en verloste hen uit de hand hunner vijanden, al de dagen des richters; wanthet berouwde den HEERE, huns zuchtens halve vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten.
19 Maar het geschiedde met het versterven des richters, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende,en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van dezen harden weg.
20 Daarom ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel, dat Hij zeide: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naarMijn stem niet gehoord hebben;
21 Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf;
22 Opdat Ik Israel door hen verzoeke, of zij den weg des HEEREN zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.
23 Alzo liet de HEERE deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastelijk uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven. Richteren 3









