
Jesaja 40 vormt een keerpunt in het Bijbelboek Jesaja. Na profetieën over oordeel en ballingschap begint dit hoofdstuk met woorden van troost en herstel. Hier openbaart God Zich als de Eeuwige, machtige Schepper die Zijn volk niet vergeet. Jesaja verkondigt dat God Zijn volk opnieuw zal leiden als een herder, dat Zijn woord standhoudt boven alles, en dat Zijn grootheid de hoop van Israël en de wereld is.
Troost voor Gods volk
Het hoofdstuk opent met de beroemde woorden: “Troost, troost Mijn volk, zegt uw God.” (Jes. 40:1) Deze oproep tot troost is gericht aan het volk dat gebroken is door de ballingschap. God verklaart dat de tijd van straf voorbij is en dat de ongerechtigheid verzoend is. Dit drukt de diepe barmhartigheid van God uit. Hij blijft trouw aan Zijn verbond, zelfs wanneer Zijn volk ontrouw is geweest.
De profeet Jesaja laat zien dat ware troost niet komt uit menselijke hoop, maar uit Gods belofte van vergeving en herstel. Zijn volk mag weten dat Hij hun toekomst opnieuw in Zijn handen neemt.
De stem in de woestijn
Vervolgens klinkt een stem die roept in de woestijn: “Bereidt de weg des Heren, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God.” (vers 3) Deze woorden wijzen op Johannes de Doper, die later de komst van Jezus Christus zou aankondigen. Symbolisch betekent het dat het hart van de mens klaargemaakt moet worden voor Gods aanwezigheid.
De beelden van dalen die verhoogd en bergen die vernederd worden, tonen dat God zelf de obstakels wegneemt. Alles wat krom is, zal recht worden. Zo bereidt God de wereld voor op Zijn openbaring – in Jesaja’s tijd door herstel uit de ballingschap, en uiteindelijk door de komst van Christus.
De eeuwige kracht van Gods Woord
In vers 6–8 klinkt een stem die zegt dat al het vlees is als gras, en al zijn schoonheid als een bloem op het veld: het verdort, maar het woord van God blijft eeuwig.
Hier contrasteert Jesaja de vergankelijkheid van mensen met de standvastigheid van Gods Woord. Alles in deze wereld vergaat, maar Gods beloften blijven. Dit vers is een blijvende herinnering dat menselijke macht en schoonheid tijdelijk zijn, terwijl Gods waarheid voor altijd bestaat.
De blijde boodschap van Gods komst
Vers 9 roept Sion op om als boodschapper van goed nieuws te spreken: “Zie, uw God!”
Deze oproep markeert een nieuw begin. De profeet schildert een prachtig beeld van God die komt met macht, maar ook met tederheid. Hij is zowel de Koning die regeert als de herder die Zijn kudde zacht leidt.
Gods macht wordt getoond in Zijn heerschappij over de schepping. Hij meet de wateren in de holte van Zijn hand en weegt bergen in een weegschaal (vers 12). Deze poëtische taal toont Gods oneindige grootheid – Hij is de Schepper die alles in Zijn hand houdt.
God boven alle volken en afgoden
Jesaja benadrukt dat geen enkel volk groot is vergeleken met God. Zelfs de machtigste naties zijn als een druppel aan een emmer. Hij lacht om afgoden die mensen maken van hout en goud. Ze hebben ogen maar zien niet, oren maar horen niet.
Door deze ironische tegenstelling onderwijst Jesaja dat alleen de Schepper waardig is om aanbeden te worden. Afgoden zijn werk van menselijke handen, maar de Heer is de Maker van hemel en aarde.
God als de eeuwige Schepper
Vanaf vers 21 roept de profeet: “Weet gij het niet, hoort gij het niet?”
Hij herinnert Israël eraan dat de Heer de aarde heeft gegrondvest en boven de hemel troont. God zit boven de cirkel der aarde, en de bewoners zijn als sprinkhanen voor Hem. Dit beeld toont de oneindige afstand tussen de Schepper en Zijn schepselen, maar ook Zijn zorg.
Hij kent elk detail van de schepping – geen ster ontbreekt aan Zijn bevel. Jesaja’s beschrijving ademt ontzag en eerbied voor de almacht van God, die alles onderhoudt door Zijn Woord.
God geeft kracht aan de vermoeide
In de slotverzen (vers 27–31) richt Jesaja zich tot het vermoeide volk dat zich vergeten voelt. Ze klagen: “Mijn weg is voor de Heere verborgen.”
God antwoordt dat Hij niet moe wordt, dat Zijn inzicht niet te doorgronden is, en dat Hij kracht geeft aan wie zwak is.
De prachtige belofte volgt:
“Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen lopen en niet mat worden, zij zullen wandelen en niet moede worden.” (vers 31)
Deze woorden vatten de essentie van Jesaja 40 samen: hoop, herstel en vertrouwen in de Eeuwige God. Hij vernieuwt wie op Hem wachten.
De boodschap van Jesaja 40 voor vandaag
Jesaja 40 blijft een bron van kracht voor gelovigen. Het leert dat ware troost komt van God zelf, dat Zijn woord onveranderlijk is, en dat Hij alle macht heeft over de wereld.
Tegelijkertijd toont het Gods tedere zorg voor elk mens. Hij is niet ver weg, maar nabij, als een herder die Zijn schapen leidt.
In een wereld vol onzekerheid herinnert Jesaja 40 ons eraan dat God niet moe wordt, en dat wie op Hem vertrouwt, nieuwe kracht ontvangt.
Jesaja 40
1 Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.
2 Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
3 Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.
5 En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.
6 Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.
7 Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.
8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!
10 Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
11 Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
12 Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
13 Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
14 Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
15 Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!
16 En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer.
17 Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.
18 Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
19 De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.
20 Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.
21 Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?
22 Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;
23 Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
24 Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.
25 Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.
26 Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.
27 Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
28 Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
29 Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.
30 De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
31 Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.








