Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 36: Ezau’s afstammelingen en Edoms vorsten

Genesis 36: Ezau’s afstammelingen en Edoms vorsten

0
1313
Streetart-muurschildering met Ezau's afstammelingen en Edom's vorsten, kleurrijk afgebeeld in koninklijke en tribale kleding.
Muurschildering in graffiti-stijl van Ezau’s nageslacht en de vorsten van Edom, geïnspireerd op Genesis 36.

Genesis 36 beschrijft de afstamming van Ezau, ook bekend als Edom, en de ontwikkeling van de Edomieten, een volk verwant aan Israël. Dit hoofdstuk is grotendeels genealogisch van aard en biedt inzicht in de nakomelingen van Ezau en de structuur van hun samenleving.

Ezau trouwde met drie vrouwen: Ada (een Hethitische), Aholibama (een Hevitische), en Basmath (de dochter van Ismaël). Uit deze huwelijken werden zonen geboren: Elifaz (van Ada), Rehuel (van Basmath), en Jehus, Jaelam en Korah (van Aholibama). Deze zonen groeiden uit tot stamhoofden, elk met hun eigen nakomelingen en leiderschap binnen de Edomitische samenleving.

Vanwege hun grote rijkdom en kudden konden Ezau en zijn broer Jakob niet samen in het land Kanaan wonen. Ezau vestigde zich daarom op het gebergte Seïr, het land dat later bekend werd als Edom. De tekst benadrukt herhaaldelijk dat Ezau de vader van Edom is, en dat zijn nakomelingen zich daar vestigden.

Het hoofdstuk somt vervolgens de vorsten van Edom op, afstammend van de zonen van Ezau. Deze vorsten regeerden over verschillende gebieden in Edom. Daarna worden ook de inwoners van Seïr genoemd, de Horieten, die er woonden vóórdat Ezau’s nageslacht zich daar vestigde. Hun eigen leiders en afstammingslijnen worden eveneens uitgebreid vermeld, wat wijst op een vermenging of vervanging van bevolkingsgroepen.

Verder wordt een lijst gegeven van de koningen die in Edom regeerden vóórdat Israël een koning had. Dit wijst op een reeds gevestigde structuur van monarchie en macht in Edom. Namen van koningen, hun steden en opvolgers worden genoemd. Dit laat zien dat Edom een georganiseerde en invloedrijke natie was.

Tot slot worden opnieuw de vorsten van Ezau genoemd, elk geassocieerd met specifieke gebieden. Dit bevestigt de gevestigde hiërarchie en verdeling van macht binnen Edom.

Samenvattend geeft Genesis 36 een gedetailleerd overzicht van de nakomelingen van Ezau en de opkomst van de Edomitische samenleving. Het hoofdstuk onderstreept de ontwikkeling van een gestructureerde samenleving met leiders, vorsten en koningen, en markeert de afsplitsing van Edom als een aparte natie naast Israël.


Genesis 36

1 Dit nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom.
2 Ezau nam zijn vrouwen uit de dochteren van Kanaan, Ada, de dochter van Elon,de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, deHeviet;
3 En Basmath, de dochter van Ismael, zuster van Nebajoth.
4 Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuel.
5 En Aholibama baarde Jehus, en Jaelam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, diehem geboren zijn in het land Kanaan.
6 Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielenzijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het landKanaan geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van hetaangezicht van zijn broeder Jakob.
7 Want hun have was te veel, om samen te wonen; en het land hunnervreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.
8 Derhalve woonde Ezau op het gebergte Seir. Ezau is Edom.
9 Dit nu zijn de geboorten van Ezau, de vader der Edomieten, op het gebergte vanSeir.
10 Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau’s huisvrouw;Rehuel, de zoon van Basmath, Ezau’s huisvrouw.
11 En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
12 En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan ElifazAmalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau’s huisvrouw.
13 En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijngeweest de zonen van Basmath, Ezau’s huisvrouw.
14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter vanZibeon, Ezau’s huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaelam, en Korah.
15 Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborenevan Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.
16 De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifazin het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.
17 En dit zijn de zonen van Rehuel, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorstZera, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuel in het landEdom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.
18 En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, devorst Jaelam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter vanAna, de huisvrouw van Ezau.
19 Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hunlieder vorsten; hij is Edom.
20 Dit zijn de zonen van Seir, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, enZibeon, en Ana,
21 En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten der Horieten, zonen van Seir, inhet land van Edom.
22 En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zuster was Timna.
23 En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
24 En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in dewoestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.
25 En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de dochter van Ana.
26 En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.
27 Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.
28 Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.
29 Dit zijn de vorsten der Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon,de vorst Ana.
30 De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten der Horieten,naar hun vorsten in het land Seir.
31 En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koningregeerde over de kinderen Israels.
32 Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad wasDinhaba.
33 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
34 En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.
35 En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, dieMidian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.
36 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
37 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
38 En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
39 En Baal-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; ende naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mechetabeel,een dochter van Matred, de dochter van Mezahab.
40 En dit zijn de namen der vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen,met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,
41 De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,
42 De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar,
43 De vorst Magdiel, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hunwoningen, in het land hunner bezitting; hij is Ezau, de vader van Edom.