Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 35: Jakob naar Bethel en dood van Rachel en Isaak

Genesis 35: Jakob naar Bethel en dood van Rachel en Isaak

0
1413
Streetart-beeld van Jakob bij een altaar, Rachel stervend met kind in haar armen, en de oude Isaak in rouw.
De graffiti-stijl toont Jakob bij het altaar van Bethel, Rachel’s sterven bij de geboorte van Benjamin, en Isaaks dood.

Genesis 35 beschrijft een belangrijke wending in het leven van Jakob, waarin God opnieuw tot hem spreekt en hem leidt naar geestelijke vernieuwing.

God roept Jakob op om naar Bethel te gaan en daar een altaar te bouwen ter ere van Hem, de God die hem verscheen toen hij vluchtte voor zijn broer Ezau. Jakob gehoorzaamt, en zegt tegen zijn huisgenoten dat zij hun afgoden moeten wegdoen en zich reinigen. Hij begraaft de afgoden onder een eik bij Sichem. Tijdens hun reis zorgt God ervoor dat de omliggende steden geen wraak nemen, en zo komen ze veilig aan in Bethel.

Daar verschijnt God opnieuw aan Jakob en bevestigt Zijn belofte. God verandert Jakobs naam in Israël en herhaalt de beloften die Hij eerder aan Abraham en Izak gaf: dat uit hem een groot volk zal voortkomen en dat zijn nakomelingen het land Kanaän zullen bezitten.

Na deze gebeurtenis sterft Debora, de voedster van Rebekka, en wordt begraven bij Bethel. Vervolgens reist Jakob verder. Onderweg naar Efrath (later Bethlehem) bevalt Rachel van haar tweede zoon, Benjamin, maar sterft daarbij. Zij wordt begraven langs de weg naar Efrath.

Daarna wordt er vermeld dat Ruben, Jakobs oudste zoon, met Bilha (een bijvrouw van Jakob) slaapt, wat een schandelijke daad was. Tot slot sluit het hoofdstuk af met een lijst van Jakobs twaalf zonen en het overlijden van zijn vader Izak, die begraven wordt door zijn zonen Jakob en Ezau.


Genesis 35

1 Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar;en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor hetaangezicht van uw broeder Ezau.
2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg devreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uwklederen;
3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaarmaken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mijgeweest is op den weg, die ik gewandeld heb.
4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en deoorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom,die bij Sichem is.
5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom henwaren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
6 Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en alhet volk, dat bij hem was.
7 En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God washem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.
8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aanBeth-El; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.
9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; enHij zegende hem.
10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakobgenoemd worden, maar Israel zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israel.
11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, envermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningenzullen uit uw lenden voortkomen.
12 En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aanuw zaad na u zal Ik dit land geven.
13 Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
14 En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hemgesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, engoot olie daarover.
15 En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had,Beth-El.
16 En zij reisden van Beth-El; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath tekomen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
17 En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tothaar: Vrees niet; want deze zoon zult gij ook hebben!
18 En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemdeBen-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
19 Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk isBethlehem.
20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken vanRachels graf tot op dezen dag.
21 Toen verreisde Israel, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-Eder.
22 En het geschiedde, als Israel in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bijBilha, zijns vaders bijwijf; en Israel hoorde het. En de zonen van Jakob warentwaalf.
23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi,en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
26 En de zonen van Zilpa, Lea’s dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen vanJakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.
27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk isHebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.
29 En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat vandagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.