Home Bijbel dagelijks Oude Testament 01 Genesis Genesis 17: Gods eeuwig verbond met Abraham en Izak

Genesis 17: Gods eeuwig verbond met Abraham en Izak

0
1085
Streetart-schildering toont God die spreekt tot Abraham met Izak aan zijn zijde, begeleid door tekst over het eeuwige verbond.
Bijbelse streetart: God spreekt tot Abraham over het verbond, terwijl Izak onder zijn bescherming staat.

Genesis 17 beschrijft een belangrijke gebeurtenis in het leven van Abram: God sluit een eeuwig verbond met hem en verandert zijn naam. Hier volgt een samenvatting in ongeveer 450 woorden:

In Genesis 17 verschijnt de HEERE opnieuw aan Abram, die inmiddels 99 jaar oud is. God openbaart Zich aan hem als “El Shaddai” (God de Almachtige) en roept Abram op om voor Zijn aangezicht te wandelen en oprecht te zijn. God bevestigt dat Hij een verbond wil oprichten met Abram, dat niet alleen hem, maar ook zijn nageslacht tot in eeuwigheid betreft.

In het kader van dit verbond verandert God zijn naam van Abram (“verheven vader”) in Abraham (“vader van een menigte”). Dit benadrukt de belofte dat Abraham een vader van vele volken zal worden. Koningen en naties zullen uit hem voortkomen. Het verbond omvat ook het land Kanaän, dat aan zijn nageslacht tot een eeuwige bezitting zal worden gegeven. God zegt: “Ik zal hun tot een God zijn.”

Als teken van dit verbond gebiedt God dat al het mannelijk nageslacht in Abraham’s huis besneden moet worden. Dit geldt zowel voor natuurlijke nakomelingen als voor slaven en vreemdelingen die in zijn huis wonen. De besnijdenis zal een zichtbaar en blijvend teken zijn van de verbonden relatie tussen God en Abraham. Elke mannelijke persoon moet op de achtste dag na de geboorte worden besneden. Wie dat niet doet, verbreekt het verbond en zal van het volk worden afgesneden.

Ook Sarai’s naam wordt veranderd: van Sarai (“mijn vorstin”) naar Sara (“vorstin”). God zegt dat Sara, hoewel zij oud is, een zoon zal baren. Abraham lacht in zichzelf en denkt dat het onmogelijk is dat hij op honderdjarige leeftijd en Sara op negentigjarige leeftijd nog een kind zouden kunnen krijgen. Toch bevestigt God de belofte. De zoon zal Izak (“hij lacht”) heten, en met hem zal God Zijn verbond oprichten tot in eeuwigheid.

Hoewel Abraham voor Ismaël bidt, laat God weten dat Zijn bijzondere verbond met Izak zal zijn, de zoon van Sara. Toch zal God ook Ismaël zegenen: hij zal twaalf vorsten verwekken en tot een groot volk worden gemaakt.

Het hoofdstuk eindigt met de directe gehoorzaamheid van Abraham. Hij besnijdt zichzelf, zijn zoon Ismaël, en alle mannelijke leden van zijn huishouding nog diezelfde dag, zoals God het hem geboden had.


Genesis 17

1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aanAbram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijnaangezicht, en zijt oprecht!

2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeervermenigvuldigen.

3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigteder volken worden!

5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezenAbraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.

6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningenzullen uit u voortkomen.

7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na uin hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaadna u.

8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, hetgehele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.

9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaadna u, in hun geslachten.

10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uwzaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.

11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van hetverbond tussen Mij en tussen u.

12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwgeslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allenvreemde, welke niet is van uw zaad;

13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besnedenworden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.

14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zalbesneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeftMijn verbond gebroken.

15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, nietSarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara.

16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haarzegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haarworden!

17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zaleen, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, dienegentig jaren oud is, baren?

18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismael mocht leven voor Uw aangezicht!

19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zultzijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwigverbond zijn zade na hem.

20 En aangaande Ismael heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hemvruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hijgewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;

21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd inhet andere jaar baren zal.

22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.

23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismael, en al de ingeborenen van zijn huis, en allegekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis vanAbraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijkals God met hem gesproken had.

24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuidbesneden werd.

25 En Ismael, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuidbesneden werd.

26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismael, zijn zoon.

27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten metgeld, van den vreemde af, werden met hem besneden.