Home Bijbel dagelijks Oude Testament 02 Exodus Exodus 37: Bezalel maakt de ark en het heilig gerei

Exodus 37: Bezalel maakt de ark en het heilig gerei

0
1486
Bezalel maakt de ark en het heilig gere met zorg en precisie, omringd door gouden voorwerpen, in barok-streetartstijl.
Streetart in barokstijl toont Bezalel terwijl hij de ark en het heilig gere vervaardigt, naar Exodus 37.

Exodus 37 beschrijft hoe Bezalel, door God geroepen en begaafd, begint met de vervaardiging van de belangrijkste heilige voorwerpen voor de tabernakel. Hij voert Gods instructies exact uit, zoals eerder aan Mozes gegeven op de berg Sinaï. Dit hoofdstuk benadrukt de nauwkeurigheid, gehoorzaamheid en toewijding waarmee het heilige werk werd uitgevoerd.

De ark van het verbond

Bezalel maakt de ark van si̱ttimhout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en hoog. Hij overtrok deze volledig met zuiver goud, zowel van binnen als van buiten, en maakte er een gouden krans omheen. Vier gouden ringen werden bevestigd aan de hoeken van de ark, waarin draagbomen van si̱ttimhout, overtrokken met goud, gestoken werden.

Hij vervaardigde ook het verzoendeksel van louter goud, met twee cherubim die met uitgespreide vleugels het deksel overschaduwden. Hun gezichten waren naar elkaar en naar het verzoendeksel gekeerd, als teken van Gods troon en tegenwoordigheid te midden van Zijn volk.

De tafel voor het toonbrood

De tafel werd eveneens van si̱ttimhout gemaakt, met een gouden overtrokken laag en een gouden krans rondom. Aan de hoeken bevestigde Bezalel vier gouden ringen voor de draagbomen. Ook deze handbomen werden van hout gemaakt en met goud overtrokken.

Het bijbehorende gerei – schotels, bekers, kommen en kroezen – werd uit louter goud vervaardigd. Deze tafel zou dienen om de toonbroden voor Gods aangezicht te dragen, als voortdurende herinnering aan Zijn verbond met Israël.

De kandelaar

Bezalel maakte ook de kandelaar van louter goud, een prachtig stuk vol symboliek. De schacht en zes armen kwamen uit één geheel voort. Elke arm had drie bloemvormige kelken, zoals amandelbloesems, met knoppen en bloemen. De centrale schacht had vier van zulke kelken, met daartussen knoppen.

De kandelaar had zeven lampen, met bijbehorende snuiters en blusvaten. Alles werd uit één talent zuiver goud gehamerd. De kandelaar stond symbool voor Gods licht in het heiligdom en Zijn voortdurende tegenwoordigheid onder Zijn volk.

Het reukofferaltaar

Tot slot maakte Bezalel het reukofferaltaar van si̱ttimhout, één el lang, één el breed en twee ellen hoog, met hoorns op de hoeken. Hij overtrok het met zuiver goud, met een gouden krans rondom. Vier gouden ringen werden aangebracht voor de draagbomen. De draagbomen zelf waren eveneens van hout met een gouden laag.

Op dit altaar zou dagelijks reukwerk geofferd worden, een beeld van het gebed van de heiligen dat voortdurend opstijgt tot God.

Conclusie

Exodus 37 laat zien hoe belangrijk het is dat Gods opdrachten nauwkeurig en toegewijd worden uitgevoerd. Bezalel voert elk detail trouw uit, zoals God het geboden had. Elk voorwerp – van de ark tot het reukaltaar – spreekt van Gods heiligheid, nabijheid en zorg. In Christus worden deze symbolen vervuld: Hij is onze ark, ons licht, ons brood en onze voorbidder.


Exodus 37

1

Alzo maakte Bezaleel de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.

2

En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte ze een gouden krans rondom.

3

En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op derzelver ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde.

4

En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.

5

En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden der ark, om de ark te dragen.

6

Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte.

7

Ook maakte hij twee cherubim van goud; van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels.

8

Een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit deszelfsbeide einden.

9

En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkander;de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.

10

Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee ellen was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte.

11

En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom.

12

Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom derzelver lijst.

13

Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten waren.

14

Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.

15

Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.

16

En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zoude, haar schotelen, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar platelen (met welke ze bedekt zoudeworden), van louter goud.

17

Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemenwaren uit hem.

18

Zes rieten nu gingen uit zijn zijden; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.

19

In het ene riet waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en eenbloem; alzo waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen.

20

Maar aan den kandelaar zelven waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.

21

En daar was een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten,uit denzelven uitgaande; alzo was het met de zes rieten, die uit denzelven uitgingen.

22

Hun knopen en rieten waren uit hem; het was altemaal een enig dicht werk van louter goud.

23

En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud.

24

Hij maakte denzelven uit een talent louter goud, met al zijn vaten,

25

En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelve waren zijn hoornen.

26

En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom.

27

Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmededroeg.

28

En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.

29

Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, naar apothekerswerk.