
Exodus 19 is een overgangshoofdstuk waarin Israël aankomt bij de berg Sinai. Daar bereidt God het volk voor op Zijn heilige verschijning. Hij sluit een verbond en roept Israël tot heiliging, waarna Zijn machtige tegenwoordigheid zichtbaar wordt op de berg.
Aankomst bij de berg Sinai (vers 1–2)
Drie maanden na de uittocht uit Egypte komt Israël in de woestijn Sinai aan. Ze slaan hun kamp op tegenover de berg. Deze locatie wordt het toneel van een cruciaal moment in hun geschiedenis: Gods openbaring aan Zijn volk.
God spreekt met Mozes (vers 3–6)
Mozes klimt de berg op en God spreekt tot hem. Hij herinnert Israël aan hun verlossing uit Egypte en doet hen een aanbod: als zij Zijn verbond houden, zullen zij Zijn eigendom zijn, een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk. Dit is een bijzondere uitnodiging tot relatie en verantwoordelijkheid.
Het volk stemt toe (vers 7–9)
Mozes brengt Gods woorden over aan het volk, en zij antwoorden eenstemmig: “Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen!” God kondigt aan dat Hij in een dichte wolk tot Mozes zal spreken, zodat het volk Zijn roep hoort en Mozes zal vertrouwen.
Voorbereiding voor Gods komst (vers 10–15)
God gebiedt het volk zich te heiligen, hun kleren te wassen en zich voor te bereiden op de derde dag. Ze mogen de berg niet aanraken of beklimmen. Zelfs dieren die de berg aanraken, zullen sterven. Het is een les in Gods heiligheid en de noodzaak van eerbied.
God verschijnt op de berg (vers 16–25)
Op de derde dag verschijnt God op indrukwekkende wijze: donder, bliksem, een dikke wolk, bazuingeschal, vuur en beving van de berg. Mozes leidt het volk naar de voet van de berg, maar niemand mag dichterbij komen. God roept Mozes opnieuw naar boven en waarschuwt nogmaals dat niemand de grens mag overschrijden. Heiligheid en gehoorzaamheid zijn essentieel.
Slotgedachte
Exodus 19 toont hoe belangrijk voorbereiding, gehoorzaamheid en eerbied zijn in de ontmoeting met God. Het hoofdstuk leidt naar de gave van de Tien Geboden, en markeert het begin van het verbondsleven tussen God en Israël als Zijn heilig volk.
Exodus 19
1 |
In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, tenzelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinai. |
2 |
Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich inde woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg. |
3 |
En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende:Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israels verkondigen: |
4 |
Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelender arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt. |
5 |
Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbondhouden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde isMijn; |
6 |
En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn dewoorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult. |
7 |
En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten aldeze woorden, die de HEERE hem geboden had. |
8 |
Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesprokenheeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot denHEERE. |
9 |
En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdathet volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. WantMozes had de HEERE de woorden des volks verkondigd. |
10 |
Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen,en dat zij hun klederen wassen, |
11 |
En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEEREvoor de ogen van al het volk afkomen, op den berg Sinai. |
12 |
En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, endeszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedoodworden. |
13 |
Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijkdoorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als deramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen. |
14 |
Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zijwiesen hun klederen. |
15 |
En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet totde vrouw. |
16 |
En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den bergdonderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterkebazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. |
17 |
En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan hetonderste des bergs. |
18 |
En de ganse berg Sinai rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam invuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefdezeer. |
19 |
Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; enGod antwoordde hem met een stem. |
20 |
Als de HEERE nedergekomen was op den berg Sinai, op de spits des bergs, zoriep de HEERE Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op. |
21 |
En de HEERE zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken totden HEERE, om te zien, en velen van hen vallen. |
22 |
Daartoe zullen ook de priesters, die tot den HEERE naderen, zich heiligen, dat deHEERE niet tegen hen uitbreke. |
23 |
Toen zeide Mozes tot den HEERE: Het volk zal op den berg Sinai niet kunnenklimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem. |
24 |
De HEERE dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aaron met u,opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmentot den HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreke. |
25 |
Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan. |








