Home Bijbel dagelijks Oude Testament 27 Daniël Daniël 1: Trouw aan God in Babel

Daniël 1: Trouw aan God in Babel

0
1362
Streetart-beeld van Daniël en zijn vrienden die trouw blijven aan God in Babylon en enkel groenten en water eten.
Daniël en zijn vrienden kiezen voor trouw aan Gods wet in het Babylonische hof.

Daniël 1, beschrijft hoe vier jonge Joodse mannen, onder wie Daniël, in ballingschap naar het Babylonische hof worden gebracht. Ondanks druk om zich aan te passen aan de Babylonische cultuur en religie, blijven zij trouw aan de wetten van God. Hun standvastigheid leidt tot goddelijke zegen en eer bij de koning. Dit verhaal legt de basis voor het hele boek en benadrukt thema’s van geloof, gehoorzaamheid en Gods soevereine leiding.

Ballingschap en beproeving

In het derde jaar van koning Jojakim van Juda verovert Nebukadnezar, koning van Babel, Jeruzalem. Hij neemt voorwerpen uit de tempel mee naar de tempel van zijn god in Sinear. Onder de gevangenen bevinden zich jonge mannen uit het koninklijk geslacht, zonder lichamelijke gebreken, knap, wijs en begaafd — geschikt voor dienst aan het hof.

Daniël, Hananja, Misaël en Azarja worden gekozen. Ze krijgen nieuwe Babylonische namen: Beltsazar, Sadrach, Mesach en Abednego. De koning bepaalt dat zij dagelijks van zijn spijs en wijn zullen eten en drie jaar opleiding zullen krijgen in de taal en geschriften van de Chaldeeën.

Daniëls besluit en Gods zegen

Daniël besluit zich niet te verontreinigen met de koninklijke spijs en wijn. Hij vraagt de hoofdopzichter om toestemming, en God geeft hem gunst en barmhartigheid. Daniël stelt een proef van tien dagen voor: hij en zijn vrienden zullen enkel groenten eten en water drinken. Na tien dagen blijken zij gezonder en sterker dan de jongeren die de koninklijke maaltijd eten.

De hoofdopzichter laat hen vanaf dat moment hun dieet volgen. God schenkt hun kennis, verstand en wijsheid. Daniël ontvangt bovendien inzicht in gezichten en dromen.

Erkenning door de koning

Aan het einde van de drie jaar brengt de hoofdopzichter hen bij koning Nebukadnezar. De koning vindt hen tienmaal verstandiger dan alle magiërs en waarzeggers in zijn rijk. Hun trouw aan God, gecombineerd met wijsheid en kennis, maakt hen tot invloedrijke dienaren aan het hof. Daniël blijft in dienst tot in het eerste jaar van koning Kores.

Kernboodschap:
Daniël 1 laat zien hoe trouw blijven aan Gods geboden, ook in vijandige omstandigheden, leidt tot zegen, wijsheid en invloed. Het benadrukt dat God Zijn volk niet verlaat, maar hen opricht te midden van beproevingen.


Daniël 1

1 In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.

2 En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.

3 En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israëls, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;

4 Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeeën.

5 En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.

6 Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hananja, Misael en Azarja.

7 En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.

8 Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

9 En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.

10 Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniël: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.

11 Toen zeide Daniël tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël, Hananja, Misael en Azarja:

12 Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.

13 En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult.

14 Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.

15 Ten einde nu der tien dagen, zag men, dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten.

16 Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.

17 Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.

18 Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar,

19 En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.

20 En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.

21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.