2 Petrus 3 is het afsluitende hoofdstuk van de tweede brief van de apostel Petrus. In dit gedeelte roept hij gelovigen op om standvastig te blijven in het geloof, zich niet te laten misleiden door spotters, en zich voor te bereiden op de wederkomst van Christus. Het hoofdstuk benadrukt het geduld van God, de zekerheid van het oordeel, en de hoop op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Spotters en de belofte van Christus’ wederkomst
Petrus begint het hoofdstuk met een oproep om te herinneren aan de woorden van de profeten en de apostelen. Hij wijst erop dat er in de laatste dagen spotters zullen komen die zullen vragen: “Waar blijft de belofte van zijn komst?” (vers 4). Deze mensen leven volgens hun eigen verlangens en negeren opzettelijk de waarheid.
Petrus herinnert hen eraan dat de wereld door Gods woord eens door water is vergaan in de tijd van Noach. Dezelfde kracht die toen de aarde vernietigde, bewaart nu de hemel en aarde voor het komende oordeel door vuur. Deze vergelijking onderstreept dat Gods woord vast en betrouwbaar is. De spotters begrijpen niet dat Gods tijdsbeleving anders is dan die van mensen: “Eén dag is bij de Heere als duizend jaar, en duizend jaar als één dag” (vers 8). Daarmee maakt Petrus duidelijk dat God niet traag is met zijn belofte, maar geduldig.
God wil namelijk niet dat mensen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. De vertraging van Christus’ komst is geen zwakte, maar een uiting van genade.
De dag van de Heere komt als een dief
Petrus vervolgt zijn brief met een krachtige waarschuwing. “De dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht” (vers 10). Deze dag zal onverwacht komen, op een moment dat niemand weet, en zal alles wat nu zichtbaar en tastbaar is, vernietigen. De hemelen zullen vergaan met gedruis, en de elementen zullen door vuur vergaan. De aarde en de werken daarop zullen openbaar worden of – volgens sommige manuscripten – verbrand.
Petrus legt hier de nadruk op de vergankelijkheid van de wereld zoals we die nu kennen. Zijn conclusie is helder: als alles zo zal vergaan, hoe heilig en godvrezend moeten wij dan leven? We worden opgeroepen om te leven in heilige wandel en godsvrucht, terwijl we de komst van de dag van God verwachten en zelfs haasten (vers 12).
Opnieuw komt het beeld van vuur naar voren. Alles wat tijdelijk is, zal verdwijnen. Wat blijft, is wat gegrond is in God.
Hoop op de nieuwe hemel en aarde
Het slot van de brief is hoopvol. Petrus schrijft dat wij als gelovigen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde verwachten “waarin gerechtigheid woont” (vers 13). Dit is niet slechts een toekomstbeeld, maar een oproep om nu al een leven te leiden dat past bij die belofte.
De lezer wordt aangespoord om onbevlekt en smetteloos bevonden te worden bij Christus’ komst. Wederom benadrukt Petrus dat Gods geduld redding betekent (vers 15), en hij verwijst zelfs naar de brieven van Paulus, die ook over deze dingen schreef. Interessant is dat hij erkent dat sommige uitspraken van Paulus moeilijk te begrijpen zijn en dat sommige mensen die verdraaien, tot hun eigen ondergang.
Tot slot roept Petrus de lezers op om op hun hoede te zijn. Ze moeten zich niet laten meeslepen door de dwaalmeningen van mensen die zich niets van God aantrekken. In plaats daarvan moeten ze groeien in de genade en kennis van Jezus Christus.
Petrus eindigt zijn brief met een lofprijzing: “Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag der eeuwigheid. Amen.”
Samenvattend
2 Petrus 3 biedt een indringende blik op de toekomst, maar ook op ons leven nu. De waarschuwing voor spotters, de zekerheid van Gods oordeel en het perspectief van een nieuwe schepping zijn diep met elkaar verweven. Petrus wijst erop dat een leven in geloof, heiligheid en verwachting de juiste reactie is op Gods beloften. De boodschap van dit hoofdstuk is zowel ernstig als hoopvol.
2 Petrus 3
1 Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwekke;
2 Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn;
3 Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
4 En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.
5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;
6 Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.
7 Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.
8 Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
9 De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!
12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.
13 Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
14 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;
15 En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft;
16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
17 Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid;
18 Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.








