Home Bijbel dagelijks Oude Testament 02 Exodus Exodus 6: God bevestigt Zijn verbond en roept Mozes

Exodus 6: God bevestigt Zijn verbond en roept Mozes

0
1347
Streetart in barokstijl toont Mozes die Gods hand nadert tussen vurige wolken, symbool voor Gods verbond en roeping.
Muurschildering van Exodus 6 in barok-streetartstijl: Gods hand nadert Mozes te midden van vurige wolken en goddelijke kracht.

Exodus 6 is Gods bemoedigende antwoord op Mozes’ wanhoop na Farao’s weigering en het verergeren van Israëls slavernij. God herhaalt zijn verbond met de aartsvaders en bevestigt dat Hij Israël met krachtige hand zal verlossen. Dit hoofdstuk herinnert eraan dat God trouw is aan Zijn beloften, zelfs wanneer de omstandigheden uitzichtloos lijken.

Gods belofte van bevrijding

Nadat Mozes heeft geklaagd dat zijn optreden niets geholpen heeft, antwoordt God krachtig: “Nu zult u zien wat Ik Farao zal aandoen.” Hij zegt dat Farao Israël uiteindelijk met kracht zal laten gaan. God herinnert Mozes eraan dat Hij zich aan Abraham, Isaak en Jakob heeft geopenbaard als de Almachtige (El Shaddai), maar dat Hij nu onder de Naam JHWH Zijn macht ten volle zal tonen.

God herhaalt dat Hij het gekerm van de Israëlieten heeft gehoord en Zijn verbond gedenkt. Hij zal hen bevrijden van slavernij, hen aannemen als Zijn volk, en hen brengen naar het beloofde land. Hij gebruikt krachtige beloften: “Ik zal u uitleiden… Ik zal u verlossen… Ik zal u aannemen tot Mijn volk… Ik zal u brengen in het land… Ik ben de HEERE.” Deze herhaling benadrukt Gods zekerheid en trouw.

Het volk luistert niet

Mozes brengt deze woorden over aan de Israëlieten, maar zij luisteren niet. Hun geest is te gebroken, hun hoop te klein geworden door de harde slavernij. Zelfs met zulke prachtige beloften, zijn ze niet in staat om te geloven. Dit toont hoe diep de onderdrukking hen heeft geraakt.

God zegt dan tegen Mozes dat hij opnieuw naar Farao moet gaan om Israël uit Egypte te leiden. Mozes aarzelt echter opnieuw en zegt dat hij “onbesneden van lippen” is, oftewel: hij voelt zich onbekwaam om te spreken. Hij twijfelt of Farao naar hem zal luisteren.

Mozes en Aaron bevestigd als leiders

In dit hoofdstuk worden ook Mozes en Aaron duidelijk als Gods uitverkorenen bevestigd. God spreekt tot beiden en zegt dat zij de opdracht hebben om het volk uit Egypte te leiden. Dit wordt ondersteund door een genealogie van de stammen Ruben, Simeon en vooral Levi, waaruit Mozes en Aaron afstammen.

Deze stamboom onderstreept de legitimiteit van Mozes en Aaron als leiders. Namen als Amram, Jochebed (de ouders van Mozes), en Aaron’s zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar worden genoemd. Ook de familie van Korach wordt genoemd, wat vooruitblikt naar latere conflicten. De structuur maakt duidelijk: deze leiders zijn geworteld in Gods volk en zijn opgeroepen voor dit specifieke doel.

Exodus 6 leert ons dat Gods beloften standhouden, zelfs als mensen ontmoedigd raken of niet willen luisteren. Hij werkt stap voor stap naar bevrijding, door mensen die zich zwak voelen, maar die Hij zelf bekwaam maakt.


Exodus 6

1 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal;want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtigehand zal hij hen uit zijn land drijven.
2 Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE,
3 En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige;doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.
4 En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het landKanaan, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweestzijn.
5 En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israels, die de Egyptenaars indienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.
6 Derhalve zeg tot de kinderen Israels: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleidenvan onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, enzal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
7 En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal ulieden tot een God zijn; engijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onderde lasten der Egyptenaren.
8 En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, datIk het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot eenerfdeel, Ik, de HEERE!
9 En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar Mozes niet,vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.
10 Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11 Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uitzijn land trekken late.
12 Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebbennaar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesnedenvan lippen.
13 Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, en gaf hun bevel aan dekinderen Israels, en aan Farao, den koning van Egypte, om de kinderen Israels uitEgypteland te leiden.
14 Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, deeerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn dehuisgezinnen van Ruben.
15 En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, enSaul, de zoon ener Kanaanietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.
16 Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath,en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
17 De zonen van Gerson: Libni en Simei, naar hun huisgezinnen.
18 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jarendes levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
19 En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naarhun geboorten.
20 En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot huisvrouw, en zij baarde hem Aaronen Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertigjaren.
21 En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.
22 En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
23 En Aaron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster vanNahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
24 En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn dehuisgezinnen der Korachieten.
25 En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putieltot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen derLevieten, naar hun huisgezinnen.
26 Dit is Aaron en Mozes, tot welke de HEERE zeide: Leidt de kinderen Israels uitEgypteland, naar hun heiren.
27 Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van Egypte, spraken, opdat zij dekinderen Israels uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron.
28 En het geschiedde te dien dage, als de HEERE tot Mozes sprak in Egypteland;
29 Zo sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Farao,den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.
30 Toen zeide Mozes voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden vanlippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?