Home Bijbel dagelijks Oude Testament 09 1 Samuël 1 Samuël 10: Sauls roeping en bevestiging door God

1 Samuël 10: Sauls roeping en bevestiging door God

0
937
1 Samuël 10 Saul ontvangt zalving van Samuel als door God gekozen koning over Israël in een Bijbelse setting
1 Samuël 10 Samuel zalft Saul als door God gekozen koning en bevestigt dit met duidelijke tekenen van Gods leiding

1 Samuël 10 opent met Sauls zalving door Samuel, waarin Saul wordt aangewezen als door God gekozen koning over Israël. De profeet geeft hem duidelijke tekenen die bevestigen dat de Heere deze roeping draagt. Het hoofdstuk beschrijft hoe Saul innerlijk wordt vernieuwd, profeteert en later voor het volk wordt aangewezen.

De gebeurtenissen tonen hoe Gods leiding zichtbaar wordt in Sauls roeping. Elk teken dat Samuel noemt komt nauwkeurig uit, waardoor Saul begrijpt dat zijn taak niet menselijk maar goddelijk is. De Israëlieten ontvangen hun eerste koning, al reageert niet iedereen positief op deze aanwijzing.

De zalving van Saul door Samuel

Samuel neemt een kruik olie en giet deze over Sauls hoofd als zichtbaar teken van zijn roeping door God (1 Samuël 10:1). Hij verklaart dat de Heere hem tot vorst over Zijn volk heeft aangewezen. Deze handeling markeert het begin van Sauls nieuwe identiteit. Samuel legt uit dat Saul specifieke tekenen zal ontmoeten die Gods bevestiging vormen. Deze tekenen dienen zowel als bemoediging als bewijs dat Sauls roeping niet berust op menselijke voorkeur maar op goddelijke leiding. De olie symboliseert heiliging en toewijding aan een taak die boven menselijke kracht uitstijgt.

De eerste tekenen van Gods bevestiging

Samuel zegt dat Saul twee mannen zal ontmoeten die hem vertellen dat de ezelinnen gevonden zijn (10:2). Dit bevestigt Gods zorg over de kleine dingen van het leven. Vervolgens zal hij drie mannen treffen bij de eik van Tabor, die hem brood aanbieden (10:3-4). Dit gebaar laat zien dat God voorziet in wat Saul nodig heeft. Deze gebeurtenissen versterken het besef dat God stap voor stap met hem meegaat.

De ontmoeting met de profeten

Saul zal een groep profeten tegenkomen die muziek maken en profeteren (10:5). Op dat moment zal de Geest van de Heere vaardig over hem worden, waardoor ook hij zal profeteren (10:6). Dit teken is diepgaand, omdat het niet alleen bevestigt dat God hem roept, maar ook dat hij door de Geest innerlijk wordt veranderd. Saul ontvangt een nieuw hart, wat zijn leven richting geeft voor zijn toekomstige taak als koning.

De vervulling van de tekenen

Saul vertrekt en alles gebeurt precies zoals Samuel heeft voorzegd (10:9). De Geest van God komt over hem, en hij profeteert te midden van de profeten. De mensen die hem kennen reageren verbaasd en vragen hoe Saul, zoon van Kis, onder de profeten kan zijn (10:11-12). Dit benadrukt dat Gods werk vaak verder reikt dan menselijke verwachtingen. De vervulling van de tekenen is niet alleen bedoeld voor Saul, maar ook voor de gemeenschap die getuige is van Gods handelen.

Sauls terugkeer naar zijn familie

Wanneer Saul naar huis terugkeert, vraagt zijn oom wat Samuel tegen hem heeft gezegd (10:14-16). Saul vertelt hem slechts het deel over de gevonden ezelinnen, maar zwijgt over de zalving. Dit toont zijn voorzichtigheid en nederigheid. Hij beseft dat de tijd nog niet rijp is om alles openbaar te maken. Sauls houding laat zien dat de roeping van God soms in stilte begint voordat zij zichtbaar wordt voor anderen.

De aanwijzing van Saul als koning

Samuel roept het volk samen in Mizpa om de koning aan te wijzen (10:17). Hij herinnert Israël eraan dat God hen uit Egypte heeft geleid, maar dat zij toch een menselijke koning verlangden (10:18-19). Ondanks hun keuze toont God genade door hen een koning te geven. Samuel laat de stammen naar voren komen en door het lot wordt Benjamin aangewezen, daarna het geslacht Matri, en uiteindelijk Saul zelf (10:20-21). Deze manier van aanwijzen onderstreept dat de keuze uiteindelijk van God komt, niet van menselijke voorkeur.

Sauls verbergen en tevoorschijn roepen

Wanneer Saul moet verschijnen, blijkt hij zich verborgen te hebben (10:22). De Heere maakt bekend waar hij staat, zodat men hem kan halen. Deze gebeurtenis toont Sauls bescheidenheid en ook zijn onzekerheid over de nieuwe taak. Wanneer hij tevoorschijn komt, zien de mensen dat hij langer is dan het hele volk en bewonderen zijn verschijning. Dit bevestigt voor hen dat hij geschikt lijkt om koning te zijn.

De reactie van het volk

Samuel benadrukt het koningschap en legt het volk de plichten van de koning uit (10:25). Hij schrijft deze op in een boek en legt het voor het aangezicht van de Heere. Het volk roept: Leve de koning (10:24). Toch zijn er ook mannen die hem verachten en geen geschenk brengen (10:27). Saul reageert niet en zwijgt. Zijn houding toont geduld en terughoudendheid, passend bij iemand die weet dat zijn roeping van God komt.

Conclusie

1 Samuël 10 beschrijft hoe Saul door Samuel wordt gezalfd, bevestigd en uiteindelijk aangewezen als koning. De tekenen die God geeft onderstrepen dat Zijn leiding centraal staat. Saul ontvangt een nieuw hart en de Geest van de Heere komt over hem. Ondanks aarzeling wordt hij door het volk erkend, terwijl Samuel de plichten van het koningschap uiteenzet. De gebeurtenissen markeren het begin van Israëls monarchie.

Laatst bijgewerkt op 28-11-2025


1 Samuël 10

1 Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeelgezalfd heeft?

2 Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnenzijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijnzoon doen?

3 Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragendedrie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn.

4 En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.

5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten eenhoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.

6 En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.

7 En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.

8 Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zevendagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.

9 Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuel te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelvendage.

10 Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde inhet midden van hen.

11 En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijnmetgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?

12 Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?

13 Toen hij nu voleind had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.

14 En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zokwamen wij tot Samuel.

15 Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuel ulieden gezegd?

16 Saul nu zeide tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuelgezegd had, gaf hij hem niet te kennen.

17 Doch Samuel riep het volk te zamen tot den HEERE, te Mizpa.

18 En hij zeide tot de kinderen Israels: Alzo heeft de HEERE, de God Israel, gesproken: Ik heb Israel uit Egypte opgebracht, en Ik heb ulieden van de hand derEgyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten.

19 Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan,stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden.

20 Toen nu Samuel al de stammen van Israel had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt.

21 Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zijzochten hem, maar hij werd niet gevonden.

22 Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.

23 Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts.

24 Toen zeide Samuel tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk,en zij zeiden: de koning leve!

25 Samuel nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuel het gansevolk gaan, elk naar zijn huis.

26 En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.

27 Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij was als doof.