Home Bijbel dagelijks Oude Testament 06 Jozua Jozua 6: Val van Jericho en Gods leiding

Jozua 6: Val van Jericho en Gods leiding

0
1454
Jozua 6 val van Jericho in streetart romantische bijbelse stijl met Israëlieten die rond de stad trekken in 16:9 compositie
Jozua 6 Val van Jericho

Jozua 6 begint met Gods opdracht om Jericho in te nemen door gehoorzaam rond te trekken en op Zijn tijd te handelen. Het hoofdstuk toont hoe overwinning voortkomt uit geloof en onderwerping aan Gods leiding. Jozua ontvangt richtlijnen voor het volk, dat stap voor stap uitvoert wat de HEERE gebiedt, waardoor de muren op Gods tijd instorten.

Jozua 6 laat zien dat God Zijn beloften vervult en rechtvaardig oordeelt, terwijl Hij tegelijk redding biedt aan wie in geloof tot Hem komt, zoals Rachab. Het hoofdstuk vormt een sleutelmoment in de verovering van Kanaän en benadrukt dat ware kracht ligt in vertrouwen op de HEERE.

De verwoesting van Jericho

God geeft Jozua de opdracht (Jozua 6:1-5)

In Jozua 6:1-5 wordt beschreven hoe Jericho gesloten blijft uit angst voor Israël. God zegt tegen Jozua dat Hij de stad, haar koning en haar helden in zijn hand heeft gegeven. De priesters moeten zeven dagen lang rond de stad trekken met de ark, waarbij zeven priesters op ramshoorns blazen. Op de zevende dag moet het volk zeven keer rondtrekken en daarna een groot geschal laten horen. God belooft dat de muren zullen instorten. De opdracht vraagt geloof, want de strategie is niet militair maar geestelijk.

Het volk gehoorzaamt stap voor stap (Jozua 6:6-14)

In Jozua 6:6-14 voert Israël Gods bevel nauwkeurig uit. Jozua roept de priesters, het volk stelt zich in rijen op, en de ark gaat voorop. De mensen lopen in stilte, terwijl alleen de bazuinen klinken. Zes dagen lang gebeurt dit precies volgens het bevel, zonder zichtbaar resultaat. Toch blijft het volk trouw en volhardend. Deze stilte en volharding onderstrepen eerbied voor God en vertrouwen in Zijn woord.

De zevende dag en de doorbraak (Jozua 6:15-20)

In Jozua 6:15-20 staat Israël vroeg op en trekt zeven keer rondom Jericho. Bij het laatste rondje roept Jozua het volk tot gejuich. Wanneer de priesters blazen en het volk schreeuwt, storten de muren in. Dit moment laat zien dat de overwinning volledig van de HEERE komt. Israël stormt de stad binnen en neemt Jericho in. De instorting van de muren is een goddelijke daad en een bevestiging van Zijn trouw.

Rachab en de uitvoering van de ban

De redding van Rachab (Jozua 6:21-25)

In Jozua 6:21-25 wordt Rachab gered met haar familie. Zij had geloof getoond door de verspieders te beschermen (Jozua 2:1-14), en daarom wordt haar huis, gemarkeerd met het scharlaken koord, gespaard. De verspieders brengen haar buiten het kamp. Rachab krijgt een blijvende plaats onder Israël. Haar redding toont Gods barmhartigheid voor wie Hem vrezen.

Het banvonnis over Jericho (Jozua 6:17, 21)

De stad staat onder de ban (Jozua 6:17). Alles wat leeft wordt gedood, en goud, zilver en metalen voorwerpen worden apart gezet voor de schatkamer van de HEERE. Het oordeel klinkt hard, maar geeft aan dat Jericho volledig aan God gewijd is vanwege haar verdorvenheid. Gods heiligheid vereist dat Israël Hem gehoorzaamt. Het banvonnis is een goddelijk oordeel en geen willekeur.

De waarschuwing van Jozua (Jozua 6:26)

In Jozua 6:26 spreekt Jozua een vloek uit over iedereen die de stad opnieuw zou bouwen. Hij zegt dat de herbouw de eerstgeborene en de jongste zoon zal kosten. Deze profetie wordt vervuld in 1 Koningen 16:34, toen Hiel van Beth-El Jericho herbouwde. Dit laat zien dat Gods woord blijvend ernst heeft en niet lichtvaardig kan worden genegeerd.

De lessen van geloof en gehoorzaamheid

Geloof dat zich toont in daden

Het hoofdstuk benadrukt dat geloof niet alleen een innerlijke houding is, maar zichtbaar wordt in gehoorzaamheid. Israël voert een ongebruikelijke opdracht uit zonder te begrijpen wat God precies zal doen. Door volhardend te handelen volgens Gods bevel laat het volk zien dat geloof zich uitwerkt in daden, zoals ook later in Hebreeën 11:30 wordt genoemd.

De geestelijke aard van de strijd

De strijd om Jericho maakt duidelijk dat de overwinning niet door menselijke kracht komt. De ark, de ramshoorns en de stille ommegang wijzen op Gods aanwezigheid. Door niet te vertrouwen op wapens maar op Zijn leiding, leert Israël dat Hij Degene is die de strijd voert. Deze geestelijke les is richtinggevend voor de verovering van het land Kanaän.

Rechtvaardigheid en barmhartigheid samen

Jozua 6 verenigt oordeel en genade. De stad Jericho wordt vernietigd, maar Rachab wordt gered. Dit patroon loopt door heel de Bijbel. God straft het kwaad, maar Hij verlost wie Hem zoekt. Rachab, een vrouw van buiten Israël, ontvangt een plaats in het volk. Haar naam verschijnt zelfs in de geslachtslijn van Christus (Mattheüs 1:5), wat de diepte van Gods genade laat zien.

Conclusie

Jozua 6 laat zien hoe Gods leiding, trouw en macht zichtbaar worden wanneer mensen in gehoorzaamheid wandelen. De val van Jericho bevestigt dat Hij zijn beloften nakomt. Israël leert dat overwinning voortkomt uit geloof en vertrouwen. Rachab toont dat Gods genade iedereen kan bereiken die op Hem vertrouwt.

Laatst bijgewerkt op 26-11-2025


Jozua 6

1 (Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen Israels; er ging niemand uit, en er ging niemand in.)

2 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.

3 Gij dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; alzo zult gij doen zes dagen lang.

4 En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met debazuinen blazen.

5 En het zal geschieden, als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zalde stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, een iegelijk tegenover zich.

6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zeide tot hen: Draagt de ark des verbonds, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark desHEEREN.

7 En tot het volk zeide hij: Trekt door en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark des HEEREN.

8 En het geschiedde, gelijk Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht des HEEREN; zijtrokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark des verbonds des HEEREN volgde hen na;

9 En wie toegerust was, ging voor het aangezicht der priesteren, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met debazuinen.

10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op den dag,wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen.

11 En hij deed de ark des HEEREN rondom de stad gaan, omringende dezelve eenmaal; toen kwamen zij weder in het leger, en vernachtten in het leger.

12 Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark des HEEREN.

13 En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark des HEEREN, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hunaangezichten, en de achtertocht volgde de ark des HEEREN na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.

14 Alzo gingen zij eenmaal rondom de stad op den tweeden dag; en zij keerden weder in het leger. Alzo deden zij zes dagen lang.

15 En het geschiedde op den zevenden dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan des dageraads, en zij gingen rondom de stad, naar dezelve wijze, zevenmaal;alleenlijk op dien dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.

16 En het geschiedde ten zevenden male, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht, want de HEERE heeft ulieden de stad gegeven!

17 Doch deze stad zal den HEERE verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zijde boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.

18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israel niet stelt tot eenban, noch datzelve beroert.

19 Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen.

20 Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid der bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en demuur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.

21 En zij verbanden alles, wat in de stad was, van den man tot de vrouw toe, van het kind tot den oude, en tot den os, en het klein vee, en den ezel, door de scherptedes zwaards.

22 Jozua nu zeide tot de twee mannen, de verspieders des lands: Gaat in het huis der vrouw, der hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, gelijk alsgij haar gezworen hebt.

23 Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broeders, en al wat zij had; ook brachten zijuit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israel.

24 De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleenlijk het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van het huisdes HEEREN.

25 Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin haars vaders, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israel tot op dezen dag, omdat zij deboden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden.

26 En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des HEEREN, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hijze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon!

27 Alzo was de HEERE met Jozua; en zijn gerucht liep door het ganse land.