Home Blog Page 29

Genesis 41 No ratings yet.

0
Genesis 41
Genesis 41
1 En het   geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet,   hijstond aan de rivier.
2 En ziet,   uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet vanvlees, en   zij weidden in het gras.
3 En ziet,   zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, endun   van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan den oever der rivier.
4 En die   koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien,schoon   van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao.
5 Daarna   sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm,vet   en goed.
6 En ziet,   zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelveuit.
7 En de   dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakteFarao, en   ziet, het was een droom.
8 En het   geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zondheen,   en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren;   enFarao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao   uitlegde.
9 Toen sprak   de overste der schenkers tot Farao, zeggende: Ik gedenk heden aanmijn zonden.
10 Farao was   zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huizevan den   overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.
11 En in een   nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar deuitlegging   zijns drooms.
12 En aldaar   was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van den overste dertrawanten;   en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een iederlegde hij   ze uit, naar zijn droom.
13 En gelijk   hij ons uitlegde, alzo is het geschied; mij heeft hij hersteld in mijn   staat,en hem gehangen.
14 Toen zond   Farao en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; enmen   schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Farao.
15 En Farao   sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die   hemuitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij   hemuitlegt.
16 En Jozef   antwoordde Farao, zeggende: Het is buiten mij! God zal Farao’swelstand   aanzeggen.
17 Toen sprak   Farao tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan den oever der rivier;
18 En zie,   uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en schoon vangedaante, en   zij weidden in het gras.
19 En zie,   zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer lelijk vangedaante, rank   van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het   ganseEgypteland.
20 En die
ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;
21 Dewelke in   haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buikingekomen waren;   want haar aanzien was lelijk, gelijk als in het begin. Toenontwaakte ik.
22 Daarna zag   ik in mijn droom, en zie zeven aren rezen op in een halm, vol en goed.
23 En zie,   zeven dorre, dunne en van den oostenwind verzengde aren, schoten nadezelve   uit;
24 En de   zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het dentovenaars   gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde.
25 Toen zeide   Jozef tot Farao: De droom van Farao is een; hetgeen God is doende,heeft Hij   Farao te kennen gegeven.
26 Die zeven   schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zevenjaren; de   droom is een.
27 En die   zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; endie   zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren deshongers   wezen.
28 Dit is het   woord, hetwelk ik tot Farao gesproken heb: hetgeen God is doende,heeft Hij   Farao vertoond.
29 Zie, de   zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het ganse land vanEgypte   zijn.
30 Maar na   dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers; dan zal in het land   vanEgypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land   verteren.
31 Ook zal de   overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dienzelvenhonger, die   daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.
32 En   aangaande, dat die droom aan Farao ten tweeden maal is herhaald, is, omdatde   zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.
33 Zo zie nu   Farao naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het landvan   Egypte.
34 Farao doe   zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel deslands van   Egypte in de zeven jaren des overvloeds.
35 En dat zij   alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en korenopleggen,   onder de hand van Farao, tot spijze in de steden, en bewaren het.
36 Zo zal de   spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, diein   Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.
37 En dit   woord was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten.
38 Zo zeide   Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, inwelken   Gods Geest is?
39 Daarna   zeide Farao tot Jozef: Naardien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo iser   niemand zo verstandig en wijs, als gij.
40 Gij zult   over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen;   alleendezen troon zal ik groter zijn dan gij.
41 Voorts   sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.
42 En Farao   nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hemfijne   linnen klederen aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;
43 En hij   deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor   zijnaangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.
44 En Farao   zeide tot Jozef: Ik ben Farao! doch zonder u zal niemand zijn hand ofzijn   voet opheffen in gans Egypteland.
45 En Farao   noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochtervan   Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land   vanEgypte.
46 Jozef nu   was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koningvan   Egypte; en Jozef ging uit van Farao’s aangezicht, en hij toog door   gansEgypteland.
47 En het   land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen.
48 En hij   vergaderde alle spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, en deed despijze   in de steden; de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haarwas,   deed hij daarbinnen.
49 Alzo   bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men   ophieldte tellen: want daarvan was geen getal.
50 En Jozef werden   twee zonen geboren, eer er een jaar des hongers aankwam, dieAsnath, de   dochter van Potifera, overste van On, hem baarde.
51 En Jozef   noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij, Godheeft mij   doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.
52 En den   naam des tweeden noemde hij Efraim; want, zeide hij, God heeft mijdoen wassen   in het land mijner verdrukking.
53 Toen   eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was.
54 En de   zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegdhad. En   er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood.
55 Als nu   gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Faraozeide tot   alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.
56 Als dan   honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was,en   verkocht aan de Egyptenaren; want de honger was sterk in Egypteland.
57 En alle   landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger wassterk in   alle landen.

 

Please rate this

Genesis 40 No ratings yet.

0
Genesis 40
Genesis 40
1 En het   geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte en debakker,   zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte.
2 Zodat   Farao zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste derschenkers,   en op den overste der bakkers.
3 En hij   leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in   hetgevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was.
4 En de   overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zijwaren   sommige dagen in bewaring.
5 Zij   droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar   deuitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van   Egyptewaren, die gevangen waren in het gevangenhuis.
6 En Jozef   kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij warenontsteld.
7 Toen   vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van   hethuis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk   gesteld?
8 En zij   zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, diehem   uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt   zemij toch.
9 Toen   vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: Inmijn   droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;
10 En aan den   wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel gingop,   zijn trossen brachten rijpe druiven voort.
11 En Farao’s   beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit inFarao’s   beker, en ik gaf den beker op Farao’s hand.
12 Toen zeide   Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.
13 Binnen nog   drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staatherstellen; en   gij zult Farao’s beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toengij zijn   schenker waart.
14 Doch   gedenk mijner bij uzelven, wanneer het u wel gaan zal, en doe tochweldadigheid   aan mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak, dat ik uit dithuis kome.
15 Want ik   ben diefelijk ontstolen uit het land der Hebreen; en ook heb ik hier   nietsgedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.
16 Toen de   overste der bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zozeide hij   tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede korven warenop   mijn hoofd.
17 En in den   opperste korf was van alle spijze van Farao, die bakkerswerk is; en hetgevogelte   at dezelve uit de korf, van boven mijn hoofd.
18 Toen   antwoordde Jozef, en zeide: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn   driedagen.
19 Binnen nog   drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aaneen hout   hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.
20 En het   geschiedde op den derden dag, den dag van Farao’s geboorte, dat hij vooral   zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste   derschenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden   zijnerknechten.
21 En hij   deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, zodat hijden   beker op Farao’s hand gaf.
22 Maar den   overste der bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.
23 Doch de   overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.

 

Please rate this

Genesis 39 No ratings yet.

0
Genesis 39
Genesis 39
1 Jozef nu   werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, eenoverste   der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten,die   hem derwaarts afgevoerd hadden.
2 En de   HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was inhet huis   van zijn heer, den Egyptenaar.
3 Als nu   zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hijdeed, door   zijn hand voorspoedig maakte;
4 Zo vond Jozef   genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijnhuis; en al   wat hij had, gaf hij in zijn hand.
5 En het   geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijnewas,   gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil;ja, de   zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
6 En hij   liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen   dingkennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van   gedaante,en schoon van aangezicht.
7 En het   geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen opJozef   wierp; en zij zeide: lig bij mij!
8 Maar hij   weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeftgeen   kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in   mijnhand gegeven.
9 Niemand is   groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan   u,daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad   doen,en zondigen tegen God!
10 En het   geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet   hoorde,om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
11 Zo   gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te   doen;en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.
12 En zij   greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in   haarhand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
13 En het   geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en   naarbuiten gevlucht was;
14 Zo riep   zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft   onsden Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij   gekomen,om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
15 En het   geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet   hijzijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
16 En zij   legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.
17 Toen sprak   zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwseknecht, dien gij   ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
18 En het is   geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet,   envluchtte naar buiten.
19 En het   geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tothem   sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan,   zoontstak zijn toorn.
20 En Jozefs   heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waardes   konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.
21 Doch de   HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gafhem genade   in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
22 En de   overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het   gevangenhuiswaren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.
23 De overste   van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was,overmits dat   de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE welgedijen

 

Please rate this

Genesis 38 No ratings yet.

0
Genesis 38
Genesis 38
1 En het   geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hijkeerde   in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.
2 En Juda   zag aldaar de dochter van een Kanaanietisch man, wiens naam was Sua;en hij   nam haar, en ging tot haar in.
3 En zij   werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.
4 Daarna   werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naamOnan.
5 En zij   voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hijwas te   Chezib, toen zij hem baarde.
6 Juda nu   nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.
7 Maar Er,   de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des HEEREN ogen; daaromdoodde hem de   HEERE.
8 Toen zeide   Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar inuws broeders   naam, en verwek uw broeder zaad.
9 Doch Onan,   wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het,als hij tot   zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, omzijn   broeder geen zaad te geven.
10 En het was   kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hemook.
11 Toen zeide   Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis,totdat   mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook   dezesterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar   vaders huis.
12 Als nu   vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw vanJuda; daarna   troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timnatoe, hij   en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.
13 En men gaf   Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naarTimna, om zijn   schapen te scheren.
14 Toen legde   zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zichmet een   sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen,die   op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en   zijhem niet ter vrouw was gegeven.
15 Als Juda   haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezichtbedekt   had.
16 En hij   week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; wanthij   wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij   geven,dat gij tot mij ingaat?
17 En hij   zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij   pandzult geven, totdat gij hem zendt.
18 Toen zeide   hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring enuw   snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar   in; enzij ontving bij hem.
19 En zij   maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij   trokaan de klederen van haar weduwschap.
20 En Juda   zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om hetpand   uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.
21 En hij   vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij   dezetwee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.
22 En hij   keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeidende   lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.
23 Toen zeide   Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachtingworden;   zie, ik heb deze bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.
24 En het   geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf,zeggende:   Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij iszwanger van   hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!
25 Als zij   voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij   denman, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch,   wiens dezezegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.
26 En Juda   kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haaraan   mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.
27 En het   geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in   haarbuik.
28 En het   geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw   namdezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze   komthet eerst uit.
29 Maar het   geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broederuit; en   zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemdezijn   naam Perez.
30 En daarna   kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; enmen noemde   zijn naam Zera.

 

Please rate this

Genesis 37 No ratings yet.

0
Genesis 37
Genesis 37
1 En Jakob woonde in het land der   vreemdelingschappen zijns vaders, in het landKanaan.
2 Dit zijn Jakobs geschiedenissen.   Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren,weidde de kudde met zijn broeders   (en hij was een jongeling), met de zonen vanBilha, en de zonen van Zilpa,   zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaadgerucht tot hun vader.
3 En Israel had Jozef lief, boven al   zijn zonen; want hij was hem een zoon desouderdoms; en hij maakte hem een   veelvervigen rok.
4 Als nu zijn broeders zagen, dat   hun vader hem boven al zijn broederen liefhad,haatten zij hem, en konden hem   niet vredelijk toespreken.
5 Ook droomde Jozef een droom, dien   hij aan zijn broederen vertelde; daaromhaatten zij hem nog te meer.
6 En hij zeide tot hen: Hoort toch   dezen droom, dien ik gedroomd heb.
7 En ziet, wij waren schoven   bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoofstond op, en bleef ook   staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogenzich neder voor mijn   schoof.
8 Toen zeiden zijn broeders tot hem:   Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gijdan ganselijk over ons   heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromenen om zijn woorden.
9 En hij droomde nog een anderen   droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; enhij zeide: Ziet, ik heb nog   een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan en elfsterren bogen zich voor   mij neder.
10 En als hij het aan zijn vader en   aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijnvader, en zeide tot hem: Wat   is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt;zullen wij dan ganselijk komen,   ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor uter aarde te buigen?
11 Zijn broeders dan benijdden hem;   doch zijn vader bewaarde deze zaak.
12 En zijn broeders gingen heen, om   de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.
13 Zo zeide Israel tot Jozef: Weiden   uw broeders niet bij Sichem? Kom, dat ik u tothen zende. En hij zeide tot   hem: Zie, hier ben ik!
14 En hij zeide tot hem: Ga toch   heen, zie naar den welstand van uw broederen, ennaar den welstand van de   kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hijhem uit het dal Hebron, en   hij kwam te Sichem.
15 En een man vond hem (want ziet,   hij was dwalende in het veld); zo vraagde hemdeze man, zeggende: Wat zoekt   gij?
16 En hij zeide: Ik zoek mijn   broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weiden.
17 Zo zeide die man: Zij zijn van   hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat onsnaar Dothan gaan. Jozef dan   ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan.
18 En zij zagen hem van verre; en eer   hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem eenlistigen raad, om hem te doden.
19 En zij zeiden de een tot den   ander: Ziet, daar komt die meester-dromer aan!
20 Nu komt dan, en laat ons hem   doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; enwij zullen zeggen: een boos   dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat vanzijn dromen worden zal.
21 Ruben hoorde dat, en verloste hem   uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem nietaan het leven slaan.
22 Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet   geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in dewoestijn is, en legt de hand   niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, omhem tot zijn vader weder   te brengen.
23 En het geschiedde, als Jozef tot   zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rokuit, den veelvervigen rok,   dien hij aanhad.
24 En zij namen hem, en wierpen hem   in den kuil; doch de kuil was ledig; er wasgeen water in.
25 Daarna zaten zij neder om brood te   eten, en hieven hun ogen op, en zagen, enziet, een reisgezelschap van   Ismaelieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegenspecerijen en balsem, en   mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
26 Toen zeide Juda tot zijn   broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broederdoodslaan, en zijn   bloed verbergen?
27 Komt, en laat ons hem aan deze   Ismaelieten verkopen, en onze hand zij niet aanhem; want hij is onze broeder,   ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.
28 Als nu de Midianietische   kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozefop uit den kuil, en   verkochten Jozef aan deze Ismaelieten voor twintig zilverlingen;die brachten   Jozef naar Egypte.
29 Als nu Ruben tot den kuil   wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toenscheurde hij zijn   klederen.
30 En hij keerde weder tot zijn   broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik,waar zal ik heengaan?
31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij   slachtten een geitenbok, en zij doopten den rokin het bloed.
32 En zij zonden den veelvervigen   rok, en deden hem tot hun vader brengen, enzeiden: Dezen hebben wij gevonden;   beken toch, of deze uws zoons rok zij, ofniet.
33 En hij bekende hem, en zeide: Het   is mijns zoons rok! een boos dier heeft hemopgegeten! voorzeker is Jozef   verscheurd!
34 Toen scheurde Jakob zijn klederen,   en legde een zak om zijn lenden; en hijbedreef rouw over zijn zoon vele   dagen.
35 En al zijn zonen, en al zijn   dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maarhij weigerde zich te laten   troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, totmijn zoon in het graf   nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.
36 En de Midianieten verkochten hem   in Egypte, aan Potifar, een hoveling vanFarao, overste der trawanten.

 

Please rate this

Genesis 36 No ratings yet.

0
Genesis 36
Genesis 36
1 Dit nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom.
2 Ezau nam zijn vrouwen uit de dochteren van Kanaan, Ada, de dochter van Elon,de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, deHeviet;
3 En Basmath, de dochter van Ismael, zuster van Nebajoth.
4 Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuel.
5 En Aholibama baarde Jehus, en Jaelam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, diehem geboren zijn in het land Kanaan.
6 Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielenzijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het landKanaan geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van hetaangezicht van zijn broeder Jakob.
7 Want hun have was te veel, om samen te wonen; en het land hunnervreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.
8 Derhalve woonde Ezau op het gebergte Seir. Ezau is Edom.
9 Dit nu zijn de geboorten van Ezau, de vader der Edomieten, op het gebergte vanSeir.
10 Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau’s huisvrouw;Rehuel, de zoon van Basmath, Ezau’s huisvrouw.
11 En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
12 En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan ElifazAmalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau’s huisvrouw.
13 En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijngeweest de zonen van Basmath, Ezau’s huisvrouw.
14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter vanZibeon, Ezau’s huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaelam, en Korah.
15 Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborenevan Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.
16 De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifazin het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.
17 En dit zijn de zonen van Rehuel, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorstZera, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuel in het landEdom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.
18 En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, devorst Jaelam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter vanAna, de huisvrouw van Ezau.
19 Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hunlieder vorsten; hij is Edom.
20 Dit zijn de zonen van Seir, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, enZibeon, en Ana,
21 En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten der Horieten, zonen van Seir, inhet land van Edom.
22 En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zuster was Timna.
23 En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
24 En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in dewoestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.
25 En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de dochter van Ana.
26 En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.
27 Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.
28 Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.
29 Dit zijn de vorsten der Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon,de vorst Ana.
30 De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten der Horieten,naar hun vorsten in het land Seir.
31 En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koningregeerde over de kinderen Israels.
32 Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad wasDinhaba.
33 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
34 En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.
35 En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, dieMidian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.
36 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
37 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
38 En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
39 En Baal-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; ende naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mechetabeel,een dochter van Matred, de dochter van Mezahab.
40 En dit zijn de namen der vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen,met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,
41 De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon,
42 De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar,
43 De vorst Magdiel, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hunwoningen, in het land hunner bezitting; hij is Ezau, de vader van Edom.

 

Please rate this

Genesis 35 No ratings yet.

0
Genesis 35
Genesis 35
1 Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar;en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor hetaangezicht van uw broeder Ezau.
2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg devreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uwklederen;
3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaarmaken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mijgeweest is op den weg, die ik gewandeld heb.
4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en deoorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom,die bij Sichem is.
5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom henwaren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
6 Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en alhet volk, dat bij hem was.
7 En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God washem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.
8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aanBeth-El; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.
9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; enHij zegende hem.
10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakobgenoemd worden, maar Israel zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israel.
11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, envermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningenzullen uit uw lenden voortkomen.
12 En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aanuw zaad na u zal Ik dit land geven.
13 Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
14 En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hemgesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, engoot olie daarover.
15 En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had,Beth-El.
16 En zij reisden van Beth-El; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath tekomen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
17 En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tothaar: Vrees niet; want deze zoon zult gij ook hebben!
18 En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemdeBen-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
19 Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk isBethlehem.
20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken vanRachels graf tot op dezen dag.
21 Toen verreisde Israel, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-Eder.
22 En het geschiedde, als Israel in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bijBilha, zijns vaders bijwijf; en Israel hoorde het. En de zonen van Jakob warentwaalf.
23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi,en Juda, en Issaschar, en Zebulon.
24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.
26 En de zonen van Zilpa, Lea’s dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen vanJakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.
27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk isHebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.
29 En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat vandagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.

 

Please rate this

Genesis 34 No ratings yet.

0
Genesis 34
Genesis 34
1 En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit, om dedochteren van dat land te bezien.
2 Sichem nu, de zoon van Hemor den Heviet, den landvorst, zag haar, en hij namze, en lag bij haar, en verkrachtte ze.
3 En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, ensprak naar het hart van de jonge dochter.
4 Sichem sprak ook tot zijn vader Hemor, zeggende: Neem mij deze dochter toteen vrouw.
5 Toen Jakob hoorde, dat hij zijn dochter Dina verontreinigd had, zo waren zijnzonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg, totdat zij kwamen.
6 En Hemor, de vader van Sichem, ging uit tot Jakob, om met hem te spreken.
7 En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smarttedeze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israel gedaan had,Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzo niet zoude gedaan worden.
8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd opulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw.
9 En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochteren; en neemt voor u onzedochteren;
10 En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handeltdaarin, en stelt u tot bezitters daarin.
11 En Sichem zeide tot haar vader, en tot haar broederen: Laat mij genade vinden inuw ogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven.
12 Vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk alsgij tot mij zult zeggen; geef mij slechts de jonge dochter tot een vrouw.
13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedriegelijk,en spraken (overmits dat hij Dina, hun zuster, verontreinigd had);
14 En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zusteraan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons eenschande.
15 Doch hierin zullen wij u ter wille zijn, zo gij wordt gelijk als wij, dat onder ubesneden worde al wat mannelijk is.
16 Dan zullen wij u onze dochteren geven, en uw dochteren zullen wij ons nemen, enwij zullen met u wonen, en wij zullen tot een volk zijn.
17 Maar zo gij naar ons niet zult horen, om besneden te worden, zo zullen wij onzedochteren nemen, en wegtrekken.
18 En hun woorden waren goed in de ogen van Hemor, en in de ogen van Sichem,Hemors zoon.
19 En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobsdochter; en hij was geeerd boven al zijns vaders huis.
20 Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stadspoort; en zij spraken totde mannen hunner stad, zeggende:
21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, endaarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn;wij zullen ons hun dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren aanhen geven.
22 Doch hierin zullen deze mannen ons ter wille zijn, dat zij met ons wonen, om toteen volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, gelijk als zijbesneden zijn.
23 Hun vee, en hun bezitting, en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laatons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen.
24 En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die ter zijnerstadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die terzijner stadspoort uitgingen.
25 En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de tweezonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, enkwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.
26 Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte des zwaards;en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.
27 De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdatzij hun zuster verontreinigd hadden.
28 Hun schapen, en hun runderen, en hun ezelen, en hetgeen dat in de stad, enhetgeen dat in het veld was, namen zij.
29 En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zijgevankelijk weg, en plunderden denzelven, en al wat binnenshuis was.
30 Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkendete maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaanieten, en onder deFerezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zozullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
31 En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met een hoer doen?

 

Please rate this

Genesis 33 No ratings yet.

0
Genesis 33
Genesis 33
1 En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannenmet hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onderde twee dienstmaagden.
2 En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haarkinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.
3 En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde,totdat hij bij zijn broeder kwam.
4 Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals,en kuste hem; en zij weenden.
5 Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wiezijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijkverleend heeft.
6 Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.
7 En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna tradJozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.
8 En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Omgenade te vinden in de ogen mijns heren!
9 Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!
10 Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zoneem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb,als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.
11 Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijkverleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
12 En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.
13 Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ikzogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft,zo zal de gehele kudde sterven.
14 Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mijop mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voormijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seirkome.
15 En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide:Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!
16 Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.
17 Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maaktehutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.
18 En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaan, als hijkwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.
19 En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de handder zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
20 En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God!

 

Please rate this

Genesis 32 No ratings yet.

0
Genesis 32
Genesis 32
1 Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.
2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde dennaam derzelver plaats Mahanaim.
3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het landSeir, de landstreek van Edom.
4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegtJakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nutoe vertoefd;
5 En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezondenom mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.
6 En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uwbroeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.
7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat methem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;
8 Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal hetovergeblevene heir ontkomen.
9 Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks,o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uwmaagschap, en Ik zal wel bij u doen!
10 Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uwknecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nuben ik tot twee heiren geworden!
11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau’s hand; want ik vreze hem, dat hijniet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!
12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellenals het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!
13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijnhand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;
14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;
15 Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintigezelinnen en tien jonge ezels.
16 En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijnknechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kuddeen tussen kudde.
17 En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoetenzal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijndeze voor uw aangezicht?
18 Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijnheer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!
19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kuddennagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hemvinden zult.
20 En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zalzijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, endaarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
21 Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hijzelf vernachttedienzelfden nacht in het leger.
22 En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn tweedienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.
23 En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekkenhetgeen hij had.
24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraadopging.
25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heupaan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hemworstelde.
26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zalU niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.
27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.
28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebtu vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.
29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide:Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.
30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezienvan aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
31 En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aanzijn heup.
32 Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht derheup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerdhad, aan de verrukte zenuw.

 

 

Please rate this

Genesis 31 No ratings yet.

0
Genesis 31
Genesis 31
1 Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeftgenomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was,heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.
2 Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet alsgisteren en eergisteren.
3 En de HEERE zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uwmaagschap, en Ik zal met u zijn.
4 Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde;
5 En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het jegens mij niet is alsgisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.
6 En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb.
7 Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malenveranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.
8 Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al dekudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loonzijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde.
9 Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.
10 En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, enik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, warengesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig.
11 En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!
12 En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen,zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, watLaban u doet.
13 Ik ben die God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gijMij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder inhet land uwer maagschap.
14 Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deelof erfenis, in het huis onzes vaders?
15 Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeftook steeds ons geld verteerd.
16 Want al de rijkdom, welke God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onzezonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.
17 Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kemelen.
18 En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn have, die hij gewonnen had, het vee, dathij bezat, hetwelk hij in Paddan-Aram geworven had, om te komen tot Izak, zijnvader, naar het land Kanaan.
19 Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, diehaar vader had.
20 En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syrier, overmits hij hem niet tekennen gaf, dat hij vlood.
21 En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier,en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
22 En ten derden dage werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevloden was.
23 Toen nam hij zijn broeders met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zevendagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead.
24 Doch God kwam tot Laban, den Syrier, in een droom des nachts, en Hij zeide tothem: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.
25 En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte;ook sloeg Laban met zijn broederen de zijne op het gebergte van Gilead.
26 Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u aan mijn hart ontstolenhebt, en mijn dochteren ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard?
27 Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mijniet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel enmet harp?
28 Ook hebt gij mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochteren te kussen; nu, gijhebt dwaselijk gehandeld, zo doende.
29 Het ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God vanulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van metJakob te spreken, of goed, of kwaad.
30 En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zo zeer begerig waart naaruws vaders huis; waarom hebt gij mijn goden gestolen?
31 Toen antwoordde Jakob, en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide:Opdat gij niet misschien uw dochteren mij ontweldigdet!
32 Bij wien gij uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken gij voor onzebroederen, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Racheldezelve gestolen had.
33 Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van debeide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was,kwam hij in de tent van Rachel.
34 Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kemels zadeltuiggelegd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte die ganse tent, en hij vond niets.
35 En zij zeide tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdatik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar der vrouwenwijze; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.
36 Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zeide totLaban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo hittiglijk hebtnagejaagd?
37 Als gij al mijn huisraad betast hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad uwshuizes! Leg het hier voor mijn broederen en uw broederen, en laat hen richtentussen ons beiden.
38 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw geiten hebben nietmisdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten.
39 Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht; ik heb het geboet; gij hebt het van mijnhand geeist, het ware des daags gestolen, of des nachts gestolen.
40 Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en datmijn slaap van mijn ogen week.
41 Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uwbeide dochteren, en zes jaren om uw kudde; en gij hebt mijn loon tien malenveranderd.
42 Ten ware de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak,bij mij geweest was, zekerlijk, gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben! Godheeft mijn ellende, en den arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisterennacht bestraft.
43 Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, endeze zonen zijn mijn zonen, en deze kudde is mijn kudde, ja, al wat gij ziet, dat ismijn; en wat zoude ik aan deze mijn dochteren heden doen? of aan haar zonen,die zij gebaard hebben?
44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zijtussen mij en tussen u!
45 Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die, tot een opgericht teken.
46 En Jakob zeide tot zijn broederen: Vergadert stenen! En zij namen stenen, enmaakten een hoop; en zij aten aldaar op dien hoop.
47 En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha; maar Jakob noemde denzelven Gilead.
48 Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u!Daarom noemde men zijn naam Gilead,
49 En Mizpa; omdat hij zeide: Dat de HEERE opzicht neme tussen mij en tussen u,wanneer wij de een van den ander zullen verborgen zijn!
50 Zo gij mijn dochteren beledigt, en zo gij vrouwen neemt boven mijn dochteren,niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u!
51 Laban zeide voorts tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is ditopgericht teken, hetwelk ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u;
52 Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbijdeze hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij deze hoop en dit opgerichtteken, niet komen zult ten kwade!
53 De God van Abraham, en de God van Nahor, de God huns vaders richte tussenons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijn vaders Izaks.
54 Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broederen,om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.
55 En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochteren, enzegende hen; en Laban trok heen, en keerde weder tot zijn plaats.

 

Please rate this

Genesis 30 No ratings yet.

0
Genesis 30
Genesis 30
1 Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; enzij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.
2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats vanGod, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?
3 En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijnknieen bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.
4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.
5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
6 Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mijeen zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.
7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob dentweeden zoon.
8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ookheb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.
9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa,en gaf die aan Jakob tot een vrouw.
10 En Zilpa, Lea’s dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.
11 Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad.
12 Daarna baarde Zilpa, Lea’s dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.
13 Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; enzij noemde zijn naam Aser.
14 En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, enhij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch vanuws zoons Dudaim.
15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ookmijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nachtvoor uws zoons Dudaim bij u liggen.
16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide:Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijnszoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.
17 En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.
18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijnman gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.
19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon.
20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zalmijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijnnaam Zebulon.
21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.
22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haarbaarmoeder.
23 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheidweggenomen!
24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderenzoon daartoe.
25 En het geschiedde, Als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide:Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land.
26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek;want gij weet mijn dienst, die ik u gediend heb.
27 Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik hebwaargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.
28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.
29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mijgeweest is.
30 Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken;en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werkenvoor mijn huis?
31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven,indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, enbewaren.
32 Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al hetgespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en hetgeplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.
33 Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij getuigen, als gij komenzult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onderde geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.
34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!
35 En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al degespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder delammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.
36 En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakobweidde de overige kudde van Laban.
37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en vankastanjen; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan dieroeden was.
38 En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakkenvan het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werdenverhit, als zij kwamen om te drinken.
39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kuddegesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.
40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op hetgesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kuddenalleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.
41 En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo steldeJakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bijde roeden.
42 Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingenLaban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.
43 En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, endienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.

 

Please rate this

Genesis 29 No ratings yet.

0
Genesis 29
Genesis 29

1    Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van hetOosten.
2    En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kuddenschapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; ener was een grote steen op den mond van dien put.
3    En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van denmond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mondvan dien put, op zijn plaats.
4    Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijnvan Haran.
5    En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wijkennen hem.
6    Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie,Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
7    En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameldworde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.
8    Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn,en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapendrenken.
9    Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vadertoebehoorden; want zij was een herderin.
10    En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moedersbroeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad,en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban,zijner moeders broeder.
11    En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
12    En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij dezoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.
13    En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zoliep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijnhuis. En hij vertelde Laban al deze dingen.
14    Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hijbleef bij hem een volle maand.
15    Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalveom niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?
16    En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam derkleinste was Rachel.
17    Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoonvan aangezicht.
18    En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uwkleinste dochter.
19    Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan eenanderen man geve; blijf bij mij.
20    Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enigedagen, omdat hij haar liefhad.
21    Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld,dat ik tot haar inga.
22    Zo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.
23    En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tothem; en hij ging tot haar in.
24    En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot eendienstmaagd.
25    En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban:Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waaromhebt gij mij dan bedrogen?
26    En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinsteuitgeve voor de eerstgeborene.
27    Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, diengij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.
28    En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel,zijn dochter, hem tot een vrouw.
29    En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot eendienstmaagd.
30    En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bijhem nog andere zeven jaren.
31    Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maarRachel was onvruchtbaar.
32    En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; wantzij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijnman mij nu liefhebben.
33    En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEEREgehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zijnoemde zijn naam Simeon.
34    En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijnman bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zijzijn naam Levi.
35    En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik denHEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

Please rate this

Pinksteren No ratings yet.

0
Pinksteren
Pinksteren

In de tien dagen tussen de Hemelvaart van Jezus en Pinksteren kiezen de discipelen een nieuwe geloofsgenoot in plaats van Judas Iskariot. Met behulp van loting wordt Mattias aangewezen. Met elkaar blijven ze in Jeruzalem en bidden ze om de uitstorting van de Heilige Geest, die Jezus hen beloofd had.

Uitstorting van de Heilige Geest   De gebeurtenissen vinden plaats op het feest van de eerstelingen (Sjavoeot), in Jeruzalem. Om 9 uur ‘s ochtends zijn de discipelen en enkele andere gelovigen bij elkaar, een groep van ongeveer 120 personen, in een ruimte op de berg Zion.

Plotseling kwam er uit de hemel een geluid dat leek op een enorme windvlaag en het vulde het hele huis, waar zij zaten. Op hun hoofden vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen. Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, zoals de Geest het hen gaf uit te spreken.

— Handelingen 2:1-4

De mensen die nu vervuld zijn met de Heilige Geest gaan naar buiten en spreken tongentaal, profeteren en verkondigen het Evangelie in allerlei talen. Ter gelegenheid van het feest van de eerstelingen was er veel volk in Jeruzalem, afkomstig uit alle delen van het Romeinse Rijk en daarbuiten, en door alle geluiden wordt een grote menigte aangetrokken.

Please rate this

Genesis 28 No ratings yet.

0
Genesis 28
Genesis 28

1 En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neemgeen vrouw van de dochteren van Kanaan.

2 Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwermoeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwermoeders broeder.

3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gijtot een hoop volken wordt.

4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijkbezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegevenheeft.

5 Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoonvan Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau’s moeder.

6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aramweggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende,dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren vanKanaan;

7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naarPaddan-Aram getrokken was;

8 En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen vanIzak, zijn vader;

9 Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen,Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster vanNebajoth.

10 Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.

11 En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan;en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich teslapen te dierzelver plaats.

12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aande hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.

13 En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uwvader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aanu geven, en aan uw zaad.

14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte,westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaadzullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ikzal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaanhebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.

16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aandeze plaats, en ik heb het niet geweten!

17 En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huisGods, en dit is de poort des hemels!

18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijnhoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olieboven op.

19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad tevoren was Luz.

20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn,en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebbenbrood om te eten, en klederen om aan te trekken;

21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mijtot een God zijn!

22 En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Godswezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!

Please rate this

Genesis 27 No ratings yet.

0
Genesis 27
Genesis 27

1    En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker gewordenwaren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tothem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!
2    En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.
3    Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in hetveld, en jaag mij een wildbraad;
4    En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ikete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.
5    Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in hetveld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.
6    Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader totEzau, uw broeder, horen spreken, zeggende:
7    Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zalu zegenen voor het aangezicht des HEEREN, voor mijn dood.
8    Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
9    Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zaldie voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.
10    En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijndood.
11    Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harigman, en ik ben een glad man.
12    Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger;zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.
13    En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naarmijn stem, en ga, haal ze mij.
14    Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maaktesmakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had.
15    Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, diezij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan.
16    En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheidvan zijn hals.
17    En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, welke zij toegemaakt had, in dehand van Jakob, haar zoon.
18    En hij kwam tot zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik;wie zijt gij, mijn zoon?
19    En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan,gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad,opdat uw ziel mij zegene.
20    Toen zeide Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat gij het zo haast gevonden hebt, mijnzoon? En hij zeide: Omdat de HEERE uw God dat heeft doen ontmoeten voormijn aangezicht.
21    En Izak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoonEzau zelf zijt, of niet.
22    Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stemis Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau’s handen.
23    Doch hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijns broedersEzau’s handen; en hij zegende hem.
24    En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het!
25    Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdatmijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn,en hij dronk.
26    En zijn vader Izak zeide tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!
27    En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, enzegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds,hetwelk de HEERE gezegend heeft.
28    Zo geve u dan God van de dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, enmenigte van tarwe en most.
29    Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer overuw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen!Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!
30    En het geschiedde, als Izak voleindigd had Jakob te zegenen, zo geschiedde het,toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, datEzau, zijn broeder, van zijn jacht kwam.
31    Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zeide totzijn vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uw zielmij zegene.
32    En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uweerstgeborene, Ezau.
33    Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, gans zeer, en zeide: Wie is hijdan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van allesgegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.
34    Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten enbitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijnvader!
35    En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegenweggenomen.
36    Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu tweereizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hijmijn zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geen zegen voor mijuitbehouden?
37    Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over ugezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem metkoorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?
38    En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader? Zegenmij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.
39    Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aardezullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gijgezegend zijn.
40    En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zalgeschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken.
41    En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; enEzau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zalmijn broeder Jakob doden.
42    Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschaptwerden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zeide tothem: Zie, uw broeder Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.
43    Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, totLaban, mijn broeder.
44    En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders kere;
45    Totdat de toorn uws broeders van u afkere, en hij vergeten hebbe, hetgeen gijhem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zoude ik ookvan u beiden beroofd worden op een dag?
46    En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochterenHeths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn,van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?

Please rate this

Genesis 26 No ratings yet.

0
Genesis 26
Genesis 26

1    En er was honger in dat land, behalve den eerste honger, die in de dagen vanAbraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning derFilistijnen, naar Gerar.
2    En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in hetland, dat Ik u aanzeggen zal;
3    Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aanu en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien IkAbraham uw vader gezworen heb.
4    En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uwzaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken deraarde,
5    Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhoudenMijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.
6    Alzo woonde Izak te Gerar.
7    En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij ismijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien,zeide hij, de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoonvan aangezicht.
8    En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, dekoning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkendemet Rebekka zijn huisvrouw.
9    Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebtgij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik nietmisschien om harentwil sterve.
10    En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een vandit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebrachthebben.
11    En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijnhuisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!
12    En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; wantde HEERE zegende hem.
13    En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer grootgeworden was.
14    En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodathem de Filistijnen benijdden.
15    En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vaderAbraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve metaarde.
16    Ook zeide Abimelech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtigergeworden, dan wij.
17    Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woondealdaar.
18    Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde vanAbraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams doodtoegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijnvader die genoemd had.
19    De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put vanlevend water.
20    En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoortons toe! Daarom noemde hij de naam van die put Esek, omdat zij met hemgekeven hadden.
21    Toen groeven zij een andere put, en daar twistten zij ook over; daarom noemdehij deszelfs naam Sitna.
22    En hij brak op van daar, en groef een andere put, en zij twistten over dien niet;daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons deHEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.
23    Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba.
24    En de HEERE verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God vanAbraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uwzaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
25    Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hijsloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.
26    En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijnkrijgsoverste.
27    En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebtmij van u weggezonden?
28    En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daaromhebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, enlaat ons een verbond met u maken:
29    Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk alswij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gijzijt nu de gezegende des HEEREN!
30    Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken.
31    En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna lietIzak hen gaan, en zij togen van hem in vrede.
32    En het geschiedde ten zelfde dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschaptenhem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wijhebben water gevonden.
33    En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot opdezen dag.
34    Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter vanBeeri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.
35    En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes.

Please rate this

Genesis 25 No ratings yet.

0
Genesis 25
Genesis 25

1 En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.

2 En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.

3 En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten,en Letusieten, en Leummieten.

4 En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Dezeallen waren zonen van Ketura.

5 Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had.

6 Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; enzond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het landvan het Oosten.

7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft,honderd vijf en zeventig jaren.

8 En Abraham gaf den geest en stierf, in goede ouderdom, oud en des levens zat,en hij werd tot zijn volken verzameld.

9 En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, inden akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamreis;

10 In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abrahambegraven, en Sara, zijn huisvrouw.

11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izakwoonde bij de put Lachai-Roi.

12 Dit nu zijn de geboorten van Ismael, den zoon van Abraham, dien Hagar, deEgyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.

13 En dit zijn de namen der zonen van Ismael, met hun namen naar hun geboorten.De eerstgeborene van Ismael, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

14 En Misma, en Duma, en Massa,

15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.

16 Deze zijn de zonen van Ismael, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen,twaalf vorsten naar hun volken.

17 En dit zijn de jaren des levens van Ismael, honderd zeven en dertig jaren; en hijgaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.

18 En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaatnaar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.

19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.

20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Betuel, denSyrier, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syrier, zich ter vrouw nam.

21 En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zijwas onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka,zijn huisvrouw, zwanger werd.

22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo?waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.

23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullenzich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan hetandere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.

24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haarbuik.

25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemdenzij zijn naam Ezau.

26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daaromnoemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

27 Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht,een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.

28 En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka hadJakob lief.

29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.

30 En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, wantik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.

31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.

32 En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?

33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkochtaan Jakob zijn eerstgeboorte.

34 En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hijstond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.

Please rate this

Genesis 24 No ratings yet.

0
Genesis 24
Genesis 24

1 Abraham nu was oud, en wel bedaagd; en de HEERE had Abraham in allesgezegend.

2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles,wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,

3 Opdat ik u doe zweren bij den HEERE, den God des hemels, en den God deraarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren derKanaanieten, in het midden van welke ik woon;

4 Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoonIzak een vrouw nemen zult.

5 En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in ditland; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogenzijt?

6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheenbrengt!

7 De HEERE, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het landmijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mijgezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal ZijnEngel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouwneemt.

8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed;alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.

9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hijzwoer hem over deze zaak.

10 En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al hetgoed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naarMesopotamie, naar de stad van Nahor.

11 En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, desavondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.

12 En hij zeide: HEERE! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch hedenontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.

13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijnuitgaande om water te putten;

14 Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik,dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelvezij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gijweldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.

15 En het geschiedde, eer hij geeindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit,welke aan Bethuel geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, debroeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.

16 En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen manhad haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.

17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig watersuit uw kruik drinken.

18 En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haarhand, en gaf hem te drinken.

19 Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uwkemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.

20 En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar denput om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.

21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de HEEREzijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.

22 En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man eengouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en tweearmringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.

23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ookten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten?

24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuel, de zoon van Milka, diezij Nahor gebaard heeft.

25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaatsom te vernachten.

26 Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den HEERE;

27 En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die Zijnweldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, deHEERE heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.

28 En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk dezezaken waren.

29 En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot die mannaar buiten tot de fontein.

30 En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aande handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka,zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, enziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.

31 En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des HEEREN! waarom zoudt gij buitenstaan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.

32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gafden kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten dermannen, die bij hem waren.

33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijnwoorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!

34 Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham;

35 En de HEERE heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hijheeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, enmaagden, en kemelen, en ezelen.

36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zijoud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft.

37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouwnemen van de dochteren der Kanaanieten, in welker land ik wone;

38 Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zultvoor mijn zoon een vrouw nemen!

39 Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen.

40 En hij zeide tot mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zalZijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijnzoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.

41 Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; enindien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.

42 En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, HEERE! God van mijn heerAbraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welke ik ga;

43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal omte putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinkenuit uw kruik;

44 En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat dezedie vrouw zij, die de HEERE aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.

45 Eer ik geeindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en hadhaar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tothaar: Geef mij toch te drinken!

46 Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zalook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.

47 Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochtervan Bethuel, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo legde ikhet voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;

48 En ik neigde mijn hoofd, en aanbad de HEERE; en ik loofde den HEERE, denGod van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om dedochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen.

49 Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mijte kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechterhand ofter linkerhand wende.

50 Toen antwoordde Laban en Bethuel, en zeiden: Van den HEERE is deze zaakvoortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.

51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouwvan den zoon uws heren, gelijk de HEERE gesproken heeft!

52 En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zichter aarde voor den HEERE.

53 En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen,en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moederkostelijkheden.

54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten,en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer!

55 Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, oftien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan.

56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de HEERE mijn wegvoorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.

57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen.

58 En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met deze man trekken? En zijantwoordde: Ik zal trekken.

59 Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgadersAbrahams knecht en zijn mannen.

60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij totduizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!

61 En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen,en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.

62 Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-Roi; en hij woonde in hetzuiderland.

63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond;en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!

64 Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.

65 En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt?En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich.

66 En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.

67 En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zijwerd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijnermoeders dood.

Please rate this

Genesis 23 No ratings yet.

0
Genesis 23
Genesis 23

1 En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren deslevens van Sara.

2 En Sara stierf te Kiriath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaan; en Abrahamkwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.

3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijner dode, en hij sprak tot dezonen Heths, zeggende:

4 Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ikmijn dode van voor mijn aangezicht begrave.

5 En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem:

6 Hoor ons, mijn heer! gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uwdode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gijuw dode niet zoudt begraven.

7 Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor dezonen Heths;

8 En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave vanvoor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon vanZohar,

9 Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijnakker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in hetmidden van u.

10 Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoorddeAbraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte zijnerstad ingingen, zeggende:

11 Neen, mijn heer! hoor mij; den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, diegeef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.

12 Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands;

13 En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk des lands, zeggende: Trouwens,zijt gij het? lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zozal ik mijn dode aldaar begraven.

14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem:

15 Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussenmij en tussen u? begraaf slechts uw dode.

16 En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hijgesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers,onder den koopman gangbaar.

17 Alzo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag,de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akkerstond, dat rondom in zijn ganse landpale was gevestigd,

18 Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, dietot zijn stadspoort ingingen.

19 En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers vanMachpela, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaan.

20 Alzo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd toteen erfbegrafenis van de zonen Heths.

Please rate this

Genesis 22 No ratings yet.

0
Genesis 22
Genesis 22

1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tothem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naarhet land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen,dien Ik u zeggen zal.

3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam tweevan zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot hetbrandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.

4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.

5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongenzullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot uwederkeren.

6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hijnam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.

7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie,hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lamtot het brandoffer?

8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijnzoon! Zo gingen zij beiden samen.

9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaareen altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op hetaltaar boven op het hout.

10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.

11 Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham,Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nuweet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebtonthouden.

13 Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in deverwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, enofferde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats.

14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien!Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal hetvoorzien worden!

15 Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel;

16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaakgedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;

17 Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als desterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zalde poorten zijner vijanden erfelijk bezitten.

18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijnstem gehoorzaam geweest zijt.

19 Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zijgingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba.

20 En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende:Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard:

21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuel, de vader van Aram,

22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;

23 (En Bethuel gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broedervan Abraham.

24 En zijn bijwijf, welker naam was Reuma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham,en Tahas, en Maacha.

Please rate this

Genesis 21 No ratings yet.

0
Genesis 21
Genesis 21

1 En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aanSara gelijk als Hij gesproken had.

2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, tergezetter tijd, dien hem God gezegd had.

3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hemSara gebaard had, Izak.

4 En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem Godgeboden had.

5 En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.

6 En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mijlachen.

7 Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd?want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.

8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een grotenmaaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.

9 En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had,spottende.

10 En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoondezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.

11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.

12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over denjongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haarstem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.

13 Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uwzaad is.

14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, engaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, enzond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.

15 Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van destruiken.

16 En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boogschieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, enhief haar stem op, en weende.

17 En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit denhemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar desjongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.

18 Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem toteen groot volk stellen.

19 En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de flesmet water, en gaf den jongen te drinken.

20 En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, enwerd een boogschutter.

21 En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uitEgypteland.

22 Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijnkrijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.

23 Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult!naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land,waarin gij als vreemdeling verkeert.

24 En Abraham zeide: Ik zal zweren.

25 En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechsknechten met geweld genomen hadden.

26 Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ookhebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.

27 En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beidenmaakten een verbond.

28 Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.

29 Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gijbijzonder gesteld hebt?

30 En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat hetmij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.

31 Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworenhadden.

32 Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, enPichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.

33 En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, deseeuwigen Gods, aan.

34 En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.

Please rate this

Genesis 20 No ratings yet.

0
Genesis 20
Genesis 20

1 En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussenKades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.

2 Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zondAbimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.

3 Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem:Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met eenman getrouwd.

4 Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij danook een rechtvaardig volk doden?

5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij ismijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik ditgedaan.

6 En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit inoprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij tezondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.

7 Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zalvoor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gijvoorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!

8 Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprakal deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.

9 En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en watheb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zondegebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.

10 Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaakgedaan hebt?

11 En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet,zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.

12 En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijnermoeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.

13 En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tothaar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wijkomen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!

14 Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten endienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouwweder.

15 En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed isin uw ogen.

16 En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hijzij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.

17 En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijndienstmaagden, zodat zij baarden.

18 Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijktoegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.

Please rate this

Hemelvaartsdag 5/5 (1)

0
Vilnius, Lithuania. View Of Church Of St. Anne, Church of St. Fr
Vilnius, Lithuania. View Of Church Of St. Anne, Church of St. Francis and St. Bernard, Church Of Ascension And Church Of Sacred Heart Of Jesus Among Green Foliage In Old Town In Summer Day.

Veertig dagen na zijn opstanding voer Jezus op naar de hemel. De periode van veertig dagen wordt genoemd in het boek Handelingen: ‘Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.’ (Handel. 1: 3) Zijn discipelen waren bij de hemelvaart aanwezig. Hij beloofde hen dat binnen korte tijd de Heilige Geest zou komen om hen te helpen en te ondersteunen.

“Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. Ze zeiden: Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.” (Handel.1:9-11)

Volgens het Bijbelverhaal werd de belofte van de Heilige Geest tien dagen later vervuld, met Pinksteren.

 

Please rate this

Genesis 19 No ratings yet.

0
Genesis 19
Genesis 19

1 En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort teSodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met hetaangezicht ter aarde.

2 En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, envernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zijzeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.

3 En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis;en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.

4 Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen vanSodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk,van het uiterste einde af.

5 En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht totu gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.

6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;

7 En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!

8 Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot uuitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezenmannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.

9 Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om alsvreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij umeer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zijtraden toe om de deur open te breken.

10 Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis,en sloten de deur toe.

11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden,van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur tevinden.

12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, ofuw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit dezeplaats;

13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voorhet aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar teverderven.

14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemenzouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat dezestad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.

15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op,neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in deongerechtigheid dezer stad niet omkomt.

16 Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw,en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; enzij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.

17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoudu om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte;behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.

18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!

19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uwweldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel tebehouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar hetgebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!

20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij tochderwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.

21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, datIk deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.

22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarheneningekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.

23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.

24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van denHEERE uit den hemel.

25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden,ook het gewas des lands.

26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.

27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hijvoor het aangezicht des HEEREN gestaan had.

28 En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; enhij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.

29 En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aanAbraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in hetomkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.

30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem;want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijntwee dochters.

31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen manin dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.

32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij vanonze vader zaad in het leven behouden.

33 En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, enlag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haaropstaan.

34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste:Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hemwijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad inhet leven behouden.

35 En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op,en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haaropstaan.

36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.

37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is devader der Moabieten, tot op dezen dag.

38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is devader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.

Please rate this

Genesis 18 No ratings yet.

0
Genesis 18
Genesis 18

1 Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in dedeur der tent zat, toen de dag heet werd.

2 En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem;als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich teraarde.

3 En hij zeide: Heere! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aanUw knecht voorbij.

4 Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onderdezen boom.

5 En ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt; daarna zult Gijvoortgaan, daarom omdat Gij tot Uw knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doezo als gij gesproken hebt.

6 En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u; kneed driematen meelbloem, en maak koeken.

7 En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf hetaan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.

8 En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hunvoor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.

9 Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in detent.

10 En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens;en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deurder tent, welke achter Hem was.

11 Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden tegaan naar de wijze der vrouwen.

12 Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oudgeworden ben, en mijn heer oud is?

13 En de HEERE zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zouik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben?

14 Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot uwederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben!

15 En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hijzeide: Neen! maar gij hebt gelachen.

16 Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abrahamging met hen, om hen te geleiden.

17 En de HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?

18 Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en allevolken der aarde in hem gezegend zullen worden?

19 Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoudebevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid engerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hemgesproken heeft.

20 Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, endewijl haar zonde zeer zwaar is,

21 Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, hetuiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.

22 Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maarAbraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN.

23 En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met dengoddeloze ombrengen?

24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, ende plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?

25 Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met dengoddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zoude Rechter der ganse aarde geen recht doen?

26 Toen zeide de HEERE: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zalvinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.

27 En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te sprekentot den Heere, hoewel ik stof en as ben!

28 Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijfde ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf enveertig zal vinden.

29 En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaarveertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertigen wil.

30 Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullenaldaar dertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zo Ik aldaardertig zal vinden.

31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere; misschienzullen er twintig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om dertwintigen wil.

32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleenlijk ditmaal spreke:misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verdervenom der tienen wil.

33 Toen ging de HEERE weg, als Hij geeindigd had tot Abraham te spreken; enAbraham keerde weder naar zijn plaats.

Please rate this

Genesis 17 No ratings yet.

0
Genesis 17
Genesis 17

1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aanAbram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijnaangezicht, en zijt oprecht!

2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeervermenigvuldigen.

3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigteder volken worden!

5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezenAbraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.

6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningenzullen uit u voortkomen.

7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na uin hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaadna u.

8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, hetgehele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.

9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaadna u, in hun geslachten.

10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uwzaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.

11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van hetverbond tussen Mij en tussen u.

12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwgeslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allenvreemde, welke niet is van uw zaad;

13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besnedenworden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.

14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zalbesneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeftMijn verbond gebroken.

15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, nietSarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara.

16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haarzegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haarworden!

17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zaleen, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, dienegentig jaren oud is, baren?

18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismael mocht leven voor Uw aangezicht!

19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zultzijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwigverbond zijn zade na hem.

20 En aangaande Ismael heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hemvruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hijgewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;

21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd inhet andere jaar baren zal.

22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.

23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismael, en al de ingeborenen van zijn huis, en allegekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis vanAbraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijkals God met hem gesproken had.

24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuidbesneden werd.

25 En Ismael, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuidbesneden werd.

26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismael, zijn zoon.

27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten metgeld, van den vreemde af, werden met hem besneden.

Please rate this

Genesis 16 No ratings yet.

0
Genesis 16
Genesis 16

1 Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptischedienstmaagd, welker naam was Hagar.

2 Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik nietbare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden.En Abram hoorde naar de stem van Sarai.

3 Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, teneinde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gafhaar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.

4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zowerd haar vrouw veracht in haar ogen.

5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uwschoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen;de HEERE rechte tussen mij en tussen u!

6 En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goedis in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.

7 En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan defontein op den weg van Sur.

8 En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zultgij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwSarai!

9 Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, enverneder u onder haar handen.

10 Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijksvermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.

11 Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoonbaren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukkingaangehoord heeft.

12 En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en dehand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijnbroederen.

13 En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God desaanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?

14 Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades entussen Bered.

15 En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, dieHagar gebaard had, Ismael.

16 En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.

Please rate this

Genesis 15 No ratings yet.

0
Genesis 15
Genesis 15

1 Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht,zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

2 Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonderkinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliezer?

3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon vanmijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

4 En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaamniet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel desterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

6 En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur derChaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.

8 En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?

9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en eendriejarige ram, en een tortelduif, en een jonge duif.

10 En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deeltegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.

11 En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

12 En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap opAbram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in eenland, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukkenvierhonderd jaren.

14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zijuittrekken met grote have.

15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begravenworden.

16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid derAmorieten is tot nog toe niet volkomen.

17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar waseen rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uwzaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier,de rivier Frath:

19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

21 En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

Please rate this

Genesis 14 No ratings yet.

0
Genesis 14
Genesis 14

1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, dekoning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, denkoning der volken;

2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning vanGomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en dekoning van Bela, dat is Zoar.

3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.

4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-Laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielenzij af.

5 Zo kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hemwaren, en sloegen de Refaiten in Asteroth-Karnaim, en de Zuzieten in Ham, en deEmieten in Schave-Kiriathaim;

6 En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelkaan de woestijn is.

7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, ensloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-Thamarwoonde.

8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koningvan Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zijstelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,

9 Tegen Kedor-Laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken,en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vierkoningen tegen vijf.

10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom enGomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar hetgebergte.

11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokkenweg.

12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg;want hij woonde in Sodom.

13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, denHebreer, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet,broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.

14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijnonderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hijjaagde hen na tot Dan toe.

15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hijjaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.

16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hijweder, als ook de vrouwen, en het volk.

17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd wasvan het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren), tothet dal Schave, dat is, het dal des konings.

18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was eenpriester des allerhoogsten Gods.

19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Diehemel en aarde bezit!

20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft!En hij gaf hem de tiende van alles.

21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de havevoor u.

22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven totden HEERE, den allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;

23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is,iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!

24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezermannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deelnemen!

Please rate this

Genesis 13 No ratings yet.

0
Genesis 13
Genesis 13

1. Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hijhad, en Lot met hem.

2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.

3 En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats,waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-El, en tussen Ai;

4 Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeftaldaar den Naam des HEEREN aangeroepen.

5 En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.

6 En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodatzij samen niet konden wonen.

7 En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lotsvee. Ook woonden toen de Kanaanieten en Ferezieten in dat land.

8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, entussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.

9 Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij delinkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ikter linkerhand gaan.

10 En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheelbevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als dehof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.

11 Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten;en zij werden gescheiden, de een van den ander.

12 Abram dan woonde in het land Kanaan; en Lot woonde in de steden der vlakte,en sloeg tenten tot aan Sodom toe.

13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE.

14 En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogenop, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaartsen westwaarts.

15 Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.

16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof deraarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.

17 Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal hetu geven.

18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre,die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.

Please rate this

Genesis 12 No ratings yet.

0
Genesis 12
Genesis 12

1 De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap,en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.

2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; enwees een zegen!

3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen allegeslachten des aardrijks gezegend worden.

4 En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog methem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.

5 En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have,die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zijtogen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.

6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan heteikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.

7 Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit landgeven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaarverschenen was.

8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hijsloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hijbouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.

9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.

10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als eenvreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.

11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai,zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.

12 En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat iszijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.

13 Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwilleve.

14 En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouwzagen, dat zij zeer schoon was.

15 Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouwwerd weggenomen naar het huis van Farao.

16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, enezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.

17 Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake vanSarai, Abrams huisvrouw.

18 Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waaromhebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?

19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoudegenomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!

20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijnhuisvrouw, en alles wat hij had.

Please rate this

Genesis 11 No ratings yet.

0
Genesis 11
Genesis 11

En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.

2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden inhet land Sinear; en zij woonden aldaar.

3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en weldoorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.

4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welksopperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij nietmisschien over de ganse aarde verstrooid worden!

5 Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die dekinderen der mensen bouwden.

6 En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; endit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden wordenal wat zij bedacht hebben te maken?

7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdatiegelijk de spraak zijns naasten niet hore.

8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden opde stad te bouwen.

9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE despraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganseaarde.

10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewonArfachsad, twee jaren na den vloed.

11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hijgewon zonen en dochteren.

12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.

13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.

15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hijgewon zonen en dochteren.

16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.

17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.

19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.

21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.

23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hijgewon zonen en dochteren.

24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.

25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.

27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; enHaran gewon Lot.

28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte,in Ur der Chaldeen.

29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw wasSarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran,vader van Milka, en vader van Jiska.

30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.

31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai,zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uitUr der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, enwoonden aldaar.

32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.

 

Please rate this

Genesis 10 No ratings yet.

0
Genesis 10
Genesis 10

Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hunwerden zonen geboren na den vloed.

2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, enMesech, en Thiras.

3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.

4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.

5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijnspraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.

6 En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.

7 En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha.En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.

8 En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.

9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordtgezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.

10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het landSinear.

11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir,en Kalach.

12 En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.

13 En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en deNaftuchieten,

14 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn,en de Caftorieten.

15 En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,

16 En de Jesubiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,

17 En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet,

18 En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnender Kanaanieten verspreid.

19 En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gazatoe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.

20 Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hunlandschappen, in hun volken.

21 Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber,broeder van Jafeth, den grootste.

22 Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.

23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.

24 En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.

25 En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijndagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.

26 En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,

27 En Hadoram, en Usal, en Dikla,

28 En Obal, en Abimael, en Scheba,

29 En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.

30 En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van hetoosten.

31 Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hunlandschappen, naar hun volken.

32 Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hunvolken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.

Please rate this

Genesis 9 No ratings yet.

0
Genesis 9
Genesis 9

En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar envermenigvuldigt, en vervult de aarde!

2 En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al hetgevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen derzee; zij zijn in uw hand overgegeven.

3 Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk hetgroene kruid.

4 Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.

5 En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van allegedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eensiegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.

6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden;want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.

7 Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voortop de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.

8 Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:

9 Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;

10 En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van allegedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierteder aarde toe.

11 En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren desvloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde teverderven.

12 En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussenulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.

13 Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbondstussen Mij en tussen de aarde.

14 En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zalgezien worden in de wolken;

15 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, entussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen toteen vloed, om alle vlees te verderven.

16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aanhet eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat opde aarde is.

17 Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht hebtussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.

18 En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth;en Cham is de vader van Kanaan.

19 Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aardeoverspreid.

20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.

21 En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het middenzijner tent.

22 En Cham, Kanaans vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beidenbroederen daar buiten te kennen.

23 Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij legden het op hun beider schouderen,en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hunaangezichten waren achterwaarts, gekeerd zodat zij de naaktheid huns vaders nietzagen.

24 En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hemgedaan had.

25 En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!

26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaan zij hemeen knecht!

27 God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht!

28 En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.

29 Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.

Please rate this

Genesis 8 No ratings yet.

0
Genesis 8
Genesis 8

1. En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat methem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en dewateren werden stil.

2 Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en deplasregen van den hemel werd opgehouden.

3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en wedervloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.

4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventiende dag der maand, op debergen van Ararat.

5 En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiendemaand, op den eerste der maand, werden de toppen der bergen gezien.

6 En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark,die hij gemaakt had, opendeed.

7 En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren vanboven de aarde verdroogd waren.

8 Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren vanboven den aardbodem.

9 Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tothem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn handuit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.

10 En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.

11 En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfbladwas in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelichtwaren.

12 Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerdeniet meer weder tot hem.

13 En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op deneersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toendeed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem wasgedroogd.

14 En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was deaarde opgedroogd.

15 Toen sprak God tot Noach, zeggende:

16 Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen metu.

17 Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan alhet kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zijovervloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen opde aarde.

18 Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonenmet hem.

19 Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarderoert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.

20 En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en vanal het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.

21 En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zalvoortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want hetgedichtsel van ‘s mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan nietmeer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.

22 Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, enzomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.

Please rate this

Genesis 7 No ratings yet.

0
Genesis 7
Genesis 7

Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want uheb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.

2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje;maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.

3 Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, omzaad levend te houden op de ganse aarde.

4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, enveertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ikgemaakt heb.

5 En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.

6 Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.

7 Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen methem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.

8 Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en alwat op den aardbodem kruipt,

9 Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijkals God Noach geboden had.

10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aardewaren.

11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op dezeventiende dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des grotenafgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.

12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.

13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachszonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen methem in de ark;

14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al hetkruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naarzijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.

15 En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee totNoach in de ark.

16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hemGod bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.

17 En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, enhieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.

18 En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en deark ging op de wateren.

19 En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hogebergen, die onder den ganse hemel zijn, bedekt werden.

20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werdenbedekt.

21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, envan het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op deaarde kroop, en alle mens.

22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat ophet droge was, is gestorven.

23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mensaan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zijwerden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem inde ark was.

24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.

Please rate this

Genesis 6 No ratings yet.

0
Genesis 6
Genesis 6

En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen tevermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,

2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zijnamen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.

3 Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens,dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.

4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot dedochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; dezezijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.

5 En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, enal het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.

6 Toen berouwde het de HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, enhet smartte Hem aan Zijn hart.

7 En de HEERE zeide: Ik zal den mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van denaardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot hetgevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.

8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.

9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man inzijn geslachten. Noach wandelde met God.

10 En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuldmet wrevel.

12 Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn wegverdorven op de aarde.

13 Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezichtgekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met deaarde verderven.

14 Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zultdie bepekken van binnen en van buiten met pek.

15 En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark,vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.

16 Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle vanboven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste,tweede en derde verdiepingen maken.

17 Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin eengeest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zalden geest geven.

18 Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uwzonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u.

19 En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, ommet u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;

20 Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al hetkruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot ukomen, om die in het leven te behouden.

21 En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdatzij u en hun tot spijze zij.

22 En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

Please rate this

TPG stuurt brieven aan God naar EO No ratings yet.

0
TPG stuurt brieven aan God naar EO
TPG stuurt brieven aan God naar EO

EN HAAG – TPG Post gaat anonieme brieven aan God doorsturen naar de Evangelische Omroep. “De afdeling nazorg van de EO gaat voor de afzenders bidden”, zei maandag het hoofd van de afdeling, dominee K. van Velzen. Voorheen verdween deze post in de prullenbak.

TPG Post is via de christenunie bij de EO terechtgekomen. Fractievoorzitter A. Rouvoet kreeg op oudejaarsdag 2003 tijdens de uitzending van een radioprogramma de vraag waarom anonieme brieven aan God in de prullenbak belandden. De vraagsteller verbaasde zich daarover, omdat in bijvoorbeeld Israël een geestelijke dergelijke brieven in de Klaagmuur in Jeruzalem stopt.

Op zoek

TPG Post nam na de uitzending zelf contact op met Rouvoet. Het bedrijf ging na overleg met de fractievoorzitter op zoek naar een instantie die de brieven zou willen ontvangen. Het postconcern kon er aanvankelijk geen vinden die mee wilde werken. De ChristenUnie heeft de zaak toen bij de EO aangekaart, zei een woordvoerder van de partij.

Zorgvuldig

Het postbedrijf gaat binnenkort met de EO rond de tafel zitten om over de anonieme brieven te praten. TPG Post wil volgens een woordvoerster met de omroep afspreken dat er zorgvuldig met de post wordt omgegaan. Van Velzen benadrukte al dat dat het geval zal zijn. TPG heeft momenteel nog ongeveer twintig anonieme brieven aan God in het archief liggen. De laatste driekwart jaar heeft het concern echter geen brieven meer ontvangen.

Expertise

De ChristenUnie is tevreden over de oplossing. “De afdeling nazorg krijgt veel reacties met ongeveer dezelfde inhoud als die van de brieven aan God. De omroep heeft veel expertise op dat gebied”, aldus de zegsman. De EO stuurt brieven die bijvoorbeeld aan Allah gericht zijn door aan een moslimorganisatie.

bron nu.nl

Laatste update:  3 januari 2005 16:08

 

Please rate this

Genesis 5 No ratings yet.

0
Genesis 5
Genesis 5

Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakteHij hem naar de gelijkenis Gods.

2 Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, tendage als zij geschapen werden.

3 En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis,naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.

4 En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren;en hij gewon zonen en dochteren.

5 Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertigjaren; en hij stierf.

6 En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos.

7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hijgewon zonen en dochteren.

8 Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.

9 En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.

10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; enhij gewon zonen en dochteren.

11 Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.

12 En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.

13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertigjaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.

15 En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.

16 En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren;en hij gewon zonen en dochteren.

17 Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hijstierf.

18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.

19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hijgewon zonen en dochteren.

20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.

21 En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach.

22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had,driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.

24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.

25 En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.

26 En Methusalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee entachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

27 Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; enhij stierf.

28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.

29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk,en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloektheeft!

30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentigjaren; en hij gewon zonen en dochteren.

31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hijstierf.

32 En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.

Please rate this

Genesis 4 No ratings yet.

0
Genesis 4
Genesis 4

En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain,en zeide: Ik heb een man van de HEERE verkregen!

2 En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder,en Kain werd een landbouwer.

3 En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des landsden HEERE offer bracht.

4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En deHEERE zag Habel en zijn offer aan;

5 Maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kain zeer, en zijnaangezicht verviel.

6 En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uwaangezicht vervallen?

7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aande deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.

8 En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veldwaren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.

9 En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weethet niet; ben ik mijns broeders hoeder?

10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder,dat tot Mij roept van den aardbodem.

11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, omuws broeders bloed van uw hand te ontvangen.

12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gijzult zwervende en dolende zijn op aarde.

13 En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergevenworde.

14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uwaangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en hetzal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.

15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudiggewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem nietversloeg al wie hem vond.

16 En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod,ten oosten van Eden.

17 En Kain bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hijbouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons,Henoch.

18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujaelgewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.

19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naamvan de andere Zilla.

20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tentenbewoonden, en vee hadden.

21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze werd de vader van allen, die harpenen orgelen handelen.

22 En Zilla baarde ook Tubal-Kain, een leermeester van allen werker in koper enijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naema.

23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen vanLamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, ommijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!

24 Want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaalzevenmaal.

25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zijnoemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voorHabel; want Kain heeft hem doodgeslagen.

26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos.Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.

Please rate this

Genesis 3 No ratings yet.

0
Genesis 3
Genesis 3

De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE Godgemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft:Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?

2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wijeten;

3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd:Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.

4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopendworden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.

6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voorde ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam vanzijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.

7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naaktwaren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan dewind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht vanden HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.

9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt;daarom verborg ik mij.

11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dienboom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dienboom gegeven, en ik heb gegeten.

13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En devrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.

14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gijvervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gijgaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.

15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad entussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenenvermorzelen.

16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwerdracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, enhij zal over u heerschappij hebben.

17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, envan dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan nieteten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan etenal de dagen uws levens.

18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des veldseten.

19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardewederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stofwederkeren.

20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder allerlevenden is.

21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toogze hun aan.

22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennendehet goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook vanden boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem tebouwen, waaruit hij genomen was.

24 En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden,en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren denweg van den boom des levens.

Please rate this

Het gebed van Manasse 5/5 (2)

0
Cross and Holy Leather Bible on Wooden Background
Het gebed van Manasse

Het gebed van Manasse is één van de, door zowel joden, rooms-katholieken als protestanten als apocrief beschouwde boeken die voorkomt in bepaalde edities van de Griekse Septuagint en als een bijlage in de Latijnse Vulgata. Hiëronymus voegde het als bijlage aan de Vulgata toe omdat “het anders verloren gaat”. In sommige edities van de Septuagint vormt het een deel van het eveneens apocriefe boek Oden en wordt geaccepteerd als deutero-canoniek boek door sommige Oosters Orthodoxe christenen. Maar het komt niet voor in de moderne gedrukte Griekse bijbels, ongeacht of deze bijbels in antiek of modern Grieks zijn vertaald. In de Ethiopische bijbel is het gebed opgenomen in het Bijbelboek II Kronieken.   Dit korte gebed van slechts 15 verzen is een smeekbede, toegeschreven aan de Judese koning Manasse. Deze koning wordt in de Bijbel genoemd als een van de grootste afgodendienaars van alle Judese koningen (2 Koningen 21-1-18). Nadat hij echter krijgsgevangen genomen is door de Assyriërs, bidt hij God om vergeving (2 Kronieken 33:10-17) en wordt weer in genade aangenomen.   Het gebed van Manasse wordt gezongen in de completen van de Oosters-orthodoxe liturgie.

Het gebed van Manasse

  1. Almachtige Heer,God van onze voorouders Abraham, Isaak en Jakob en van hun rechtvaardig nageslacht,
  2. u hebt hemel en aarde gemaakt in al hun rijkdom,
  3. de zee gekluisterd met uw machtig woord, de oervloed gesloten en verzegeld met uw ontzagwekkende naam;
  4. alles siddert en beeft voor uw macht.
  5. Niemand kan uw luister verdragen of de toorn weerstaan waarmee u zondaars bedreigt.
  6. De barmhartigheid die u belooft kan niemand meten of doorgronden.
  7. U bent de hoogste Heer, vol mededogen, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid als mensen kwaad doen.
  8. Heer, u die God bent van de rechtvaardigen, u vraagt geen berouw van de rechtvaardigen, van Abraham, Isaak en Jakob, die niet tegen u hebben gezondigd, maar van mij, van een zondaar, vraagt u berouw.
  9. Want mijn zonden zijn talrijker dan zandkorrels aan de zee, steeds meer overtredingen beging ik, Heer, steeds zwaardere; ik ben het niet waard op te zien naar de hoge hemel, zo groot is het onrecht dat ik heb begaan.
  10. Een zware keten van ijzer drukt mij neer, en ik buig het hoofd om mijn zonden; voor mij bestaat geen vergeving. Ik heb immers uw woede gewekt en gedaan wat slecht is in uw ogen: afgodsbeelden opgericht en zonde na zonde begaan.
  11. Maar nu buig ik mij neer en bid om uw goedheid.
  12. Ik heb gezondigd, Heer, ik heb gezondigd, ik erken mijn overtredingen.
  13. Ik bid u: vergeef mij, Heer, vergeef mij. Laat mij niet ten onder gaan met mijn zonden, stapel uw straffen niet op tegen mij, koester uw wrok niet voor eeuwig, verban mij niet naar het diepst van de aarde. U, Heer, bent toch de God van al wie berouw toont!
  14. Ook mij zult u uw goedheid tonen, uw grote barmhartigheid zal mij redden, hoe onwaardig ik ook ben.
  15. Ik zal u voortdurend prijzen, alle dagen van mijn leven, want alle hemelse machten bezingen u, en uw roem is eeuwig. Amen.

 

 

Please rate this

Genesis 2 No ratings yet.

0
Genesis 2
Genesis 2

Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.

2 Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had,heeft Hij gerust op den zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

3 En God heeft den zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij opdenzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om tevolmaken.

4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dageals de HEERE God de aarde en den hemel maakte.

5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer hetuitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er wasgeen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.

6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganseaardbodem.

7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijnneusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij steldealdaar den mens, die Hij geformeerd had.

9 En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijkvoor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden vanden hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.

10 En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd vandaar verdeeld, en werd tot vier hoofden.

11 De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havilaomloopt, waar het goud is.

12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.

13 En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cuschomloopt.

14 En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten vanAssur. En de vierde rivier is Frath.

15 Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien tebouwen, en dien te bewaren.

16 En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zultgij vrijelijk eten;

17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij nieteten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

18 Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ikzal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.

19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al hetgevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoehij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haarnaam zijn.

20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte deshemels, en van al het gedierte des velds; maar voor de mens vond hij geen hulpe,die als tegen hem over ware.

21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hijnam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.

22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot eenvrouw, en Hij bracht haar tot Adam.

23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees!Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.

24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven;en zij zullen tot een vlees zijn.

25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.

Please rate this

Genesis 1 No ratings yet.

0
Genesis 1
Genesis 1

Nederlands StatenVertalings 1715  Hoofdstuk 1

1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de GeestGods zweefde op de wateren.

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het lichten tussen de duisternis.

5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was hetavond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat makescheiding tussen wateren en wateren!

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onderhet uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het wasalzo.

8 En God noemde het uitspansel hemel. En het was avond geweest, en het wasmorgen geweest, de tweede dag.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderdworden, en dat het droge gezien worde! en het was alzo.

10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hijzeeen; en God zag, dat het goed was.

11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete gras, kruid zaadzaaiende, vruchtbaargeboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! Enhet was alzo.

12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, envruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dathet goed was.

13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding temaken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en totgezette tijden, en tot dagen en jaren!

15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op deaarde! En het was alzo.

16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags,en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussenhet licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.

19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel vanlevende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel deshemels!

21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke dewateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeldgevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult dewateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!

23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.

24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, enkruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.

25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijnaard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dathet goed was.

26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; endat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte deshemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipendgedierte, dat op de aarde kruipt.

27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem;man en vrouw schiep Hij ze.

28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, envermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappijover de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte,dat op de aarde kruipt!

29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op deganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij utot spijze!

30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan alhet kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al hetgroene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.

Please rate this